Eiseres, die onder beschermingsbewind staat, vroeg bijzondere bijstand aan voor bankkosten verbonden aan een extra betaalrekening die zij vanwege het bewind moet aanhouden. Het college wees de aanvraag gedeeltelijk af, met name de maandelijkse kosten van de beheerrekening, omdat deze volgens het college binnen de vergoeding aan de bewindvoerder vielen. Eiseres maakte bezwaar tegen deze afwijzing en stelde dat de extra kosten rechtstreeks door de bank aan haar werden doorberekend en dus bijzondere bijstand rechtvaardigen.
De rechtbank stelde vast dat het college het bezwaar niet volledig had heroverwogen en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, in strijd met de artikelen 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank oordeelde dat de bankkosten voor de extra rekening noodzakelijke kosten zijn die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan.
Daarom vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het de maandelijkse bankkosten betreft. De rechtbank kent eiseres bijzondere bijstand toe voor de bankkosten van € 1,75 per maand. Tevens wordt het griffierecht aan eiseres vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter M.W. de Jonge op 24 oktober 2024.