In deze civiele zaak stond een geschil centraal over de betaling van een koopsom na de verkoop van activa van een bouwbedrijf. De verkoper had tijdens een bespreking gezegd "laat de factuur maar zitten", waarna een schriftelijke vaststellingsovereenkomst zou zijn gesloten, maar het originele document was zoekgeraakt. De rechtbank oordeelde dat ondanks het ontbreken van het originele stuk, uit de gang van zaken en verklaringen bleek dat partijen een mondelinge vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan.
De feiten betroffen de verkoop van bedrijfsbussen, gereedschappen en arbeidsovereenkomsten, waarbij een deel van de koopsom in termijnen zou worden betaald. Na het uitblijven van betaling ontstond een geschil, waarbij de verkoper stelde de overeenkomst partieel te hebben ontbonden en betaling te vorderen. De koper verweerde zich met het bestaan van een vaststellingsovereenkomst die finale kwijting zou geven.
De rechtbank stelde dat het aan de koper was om het bestaan van de vaststellingsovereenkomst te bewijzen, maar dat het ontbreken van het originele document dit bemoeilijkte. Desondanks concludeerde de rechtbank dat partijen op 21 juni 2023 mondeling een overeenkomst sloten waarbij zij over en weer afstand deden van vorderingen. De verkoper had tijdens het gesprek een aanbod gedaan dat door de koper was aanvaard, waardoor een geldige overeenkomst tot stand kwam.
De vorderingen van de verkoper werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank wees tevens de reconventie van de koper toe onder de voorwaarde dat het primaire verweer werd gevolgd, waardoor verdere bespreking van verrekening achterwege bleef. Het vonnis werd uitgesproken door mr. C.S. Huizinga op 9 oktober 2024.