Op 14 april 2022 ontstond een conflict tussen verdachte en aangevers over een financiële kwestie. Verdachte en medeverdachte gingen op eigen initiatief naar de woning van aangever, waar een confrontatie plaatsvond. Aangevers en verdachten gaven verschillende versies van de gebeurtenissen.
De rechtbank beoordeelde de verklaringen en vond die van de verdachten aannemelijker, mede door letselverklaringen. Verdachte werd aangevallen door aangever, wat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding vormde. Het handelen van verdachte werd als noodzakelijke verdediging (noodweer) beoordeeld, wat vrijspraak voor mishandeling en huisvredebreuk opleverde.
De vordering tot afpersing werd niet bewezen geacht, omdat onvoldoende vaststond dat het geld onder dwang werd overgemaakt. De civiele vordering tot schadevergoeding werd niet ontvankelijk verklaard en moet bij de burgerlijke rechter worden ingediend.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en bepaalde dat aangever zijn eigen proceskosten draagt.