AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond wegens te laat ingediend bezwaar tegen omgevingsvergunning
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een supermarkt en de bouw van appartementen in een woonplaats. De vergunning werd op 16 juni 2023 verleend en gepubliceerd, waardoor de bezwaartermijn op 28 juli 2023 eindigde. Het bezwaar werd echter pas op 6 en 8 september 2023 ingediend, wat te laat is.
De rechtbank beoordeelt dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eisers hebben geen geldige redenen aangevoerd om de te late indiening te rechtvaardigen. De vergunning is op juiste wijze gepubliceerd en de bezwaartermijn is een dwingendrechtelijke bepaling die strikt moet worden nageleefd.
Eisers voerden aan dat de bezwaartermijn niet langer van openbare orde zou zijn en dat het college de termijnoverschrijding niet ambtshalve hoeft te toetsen, maar deze argumenten leiden niet tot een ander oordeel. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat artikel 6:11 vanPro de Algemene wet bestuursrecht een gebonden bevoegdheid betreft, waardoor geen ruimte is voor een belangenafweging.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen wordt gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/225
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2024 in de zaak tussen
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. G.P. Wempe),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, het college
(gemachtigden: G.B.E. Fik en A.M. Timmer).
Als derde-partij neemt aan het geding deel Huisman Supermarkt B.V.te Elim, vergunninghouder
(gemachtigde: mr. L.J. Gerritsen).
Zitting hebben: mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
Verschenen zijn: de gemachtigde van eisers, de gemachtigden van het college, [derde] namens vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Motivering beslissing
1. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en zal hieronder uitleggen waarom.
1.1.
Vast staat dat eisers te laat bezwaar hebben gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een supermarkt en het bouwen van appartementen in [woonplaats] .
1.2.
Die vergunning is verleend en verzonden op 16 juni 2023. Dat betekende dat de bezwaartermijn eindigde op 28 juli 2023. Het bezwaar is op 6 september per mail en op 8 september 2023 per post ingediend. Dat is te laat.
1.3.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Vast staat dat de vergunning op de juiste wijze is gepubliceerd. Eisers hebben geen verdere argumenten naar voren gebracht waarom het bezwaar niet op tijd is ingediend, zodat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
1.4.
De beroepsgrond van eisers dat de bezwaartermijn niet meer van openbare orde zou zijn, dat de bestuursrechter de bezwaartermijn niet langer ambtshalve toetst en dat de gemeente vrijheid zou hebben om van de termijnoverschrijding geen punt meer te maken, leidt niet tot een ander oordeel. Deze argumenten zien namelijk niet op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding maar op het wel of niet ambtshalve beoordelen van de bezwaartermijn.
1.5.
De rechtbank begrijpt uit de vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters [1] overigens niet dat het bestuursorgaan ‘vrijheid zou hebben van de termijnoverschrijding geen punt meer te maken.’ Uit die rechtspraak blijkt namelijk dat de bezwaartermijn een dwingendrechtelijke bepaling is. Dat betekent dat de instantie waarbij een rechtsmiddel is ingesteld, gehouden is de tijdigheid van dat rechtsmiddel te beoordelen en, in geval van niet-verschoonbare termijnoverschrijding, het rechtsmiddel niet-ontvankelijk te verklaren. Dat is wat het college in dit geval heeft gedaan.
1.6.
Voor zover een beroep wordt gedaan op het evenredigheidsbeginsel, slaagt dat niet. Bij de toepassing van artikel 6:11 vanPro de Algemene wet bestuursrecht gaat het namelijk om een gebonden bevoegdheid. Voor een aanvullende belangenafweging is dus geen plaats.
1.7.
Het beroep is dus ongegrond en er is derhalve geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
1.8.
Als een partij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank, kan deze partij binnen 6 weken na verzending van het proces-verbaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2024 door mr. M.S. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Dijk, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: