3.3.[eiser] en Bisbeez hebben geen stellingen aangevoerd die meebrengen dat [gedaagde sub 1] tegenover hen wanprestatie zou hebben gepleegd of onrechtmatig zou hebben gehandeld in het scenario dat [gedaagde sub 2] persoonlijk, buiten [gedaagde sub 1] om, de opdracht zou hebben aanvaard om [eiser] in privé te adviseren bij, kort gezegd, de herstructurering van diens bedrijf. Daarom kan de primaire grondslag niet leiden tot toewijzing van de vordering tegen [gedaagde sub 1] .
3.4.1.Uit de stellingen van [eiser] kan de rechtbank niet afleiden tegenover welke partij [gedaagde sub 2] zich volgens hen zou hebben verplicht om [eiser] in privé te adviseren bij de herstructurering. Dat kan in het midden blijven, want uit de daartoe door [eiser] en Bisbeez gestelde feiten kan niet worden afgeleid dat [gedaagde sub 2] daartoe opdracht heeft gekregen van [eiser] of van enige aan hem gelieerde vennootschap.
3.4.2.[eiser] en Bisbeez hebben aangevoerd dat [gedaagde sub 2] [eiser] op 8 februari 2015 per e-mail benaderde (prod. 11 bij dagvaarding) en dat op 2 mei 2015 de eerste bespreking tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] plaatsvond, vanaf welk moment [gedaagde sub 2] volgens [eiser] en Bisbeez als persoonlijk adviseur van [eiser] is gaan optreden (zie dagvaarding onder 3.9, met dien verstande dat in die fase van de procedure [eiser] nog stelde dat [gedaagde sub 2] optrad “onder de vlag van formeel opdrachtnemer [gedaagde sub 1] ”).
3.4.2.[gedaagde sub 2] heeft erop gewezen dat de suggestie in de dagvaarding dat hij het initiatief nam bij het contact tussen partijen onjuist is. Dat is terecht, want [eiser] en Bisbeez hebben niet weersproken dat [eiser] begin 2015 [gedaagde sub 1] heeft ingeschakeld voor het vinden van een nieuwe algemeen directeur en dat op 7 februari 2015 op zijn verzoek een bespreking is gehouden om de acute financiële problemen van zijn onderneming te bespreken. Daarbij waren [eiser] , [gedaagde sub 2] en [naam] , partner bij [gedaagde sub 1] , aanwezig. Bij die gelegenheid is afgesproken dat [naam] vanuit [eiser] verschillende kandidaten voor een nieuwe algemeen directeur zou voorstellen. Het door [eiser] ingeroepen mailbericht van de volgende dag, 8 februari 2015, waarin [gedaagde sub 2] zijn contactgegevens met [eiser] deelt en meedeelt dat [eiser] hem gerust kan bellen als hij wilde sparren over een oplossingsrichting, moet tegen de achtergrond van die bespreking worden bezien.
3.4.3.Over de eerste gezamenlijke bespreking van [eiser] en [gedaagde sub 2] op 2 mei 2015 hebben [eiser] en Bisbeez gesteld dat [gedaagde sub 2] daarin zei dat hij voor een klein aandeel in de onderneming zou kunnen participeren en dat hij andere partijen kende die meer zouden willen investeren die hij daartoe zou willen bezoeken. Daaruit kan, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet méér worden afgeleid dan dat [gedaagde sub 2] te kennen gaf zelf in de onderneming te willen participeren en andere investeerders te willen gaan zoeken. Uit een en ander kan niet worden geconcludeerd dat [eiser] [gedaagde sub 2] zou hebben opgedragen hem in privé te adviseren bij het gehele herstructureringsproces dat heeft geleid tot de LOI en de IA.
3.4.4.Ook anderszins heeft [eiser] geen feiten gesteld waaruit afgeleid zou kunnen worden dat [gedaagde sub 2] bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij in dat verband als zijn persoonlijk adviseur zou optreden. Dat vertrouwen kan niet zijn gewekt door het feit dat [gedaagde sub 2] gedurende het onderhandelingsproces tal van activiteiten heeft ontplooid, aan besprekingen en onderhandelingen heeft deelgenomen, [eiser] over de bedrijfsvoering van zijn onderneming heeft geadviseerd en (af en toe) samen met hem is opgetrokken in de onderhandelingen met AAP, want [eiser] wist dat het de bedoeling was dat [gedaagde sub 2] zelf ook zou investeren in de onderneming en - zeker vanaf het eerste overleg met AAP- dat [gedaagde sub 2] naar verwachting CEO, althans algemeen directeur, van [eiser] Holding Appingedam B.V. (hierna: BHA) zou worden. Immers al op 12 februari 2015 stuurde [eiser] het cv van [gedaagde sub 2] intern door aan HRM met als toelichting:
“voorstel van [gedaagde sub 1] om alsalgemeen directeurop te treden”en in de periode tussen de LOI en de IA was [gedaagde sub 2] al algemeen directeur van BHA. [eiser] moet hebben begrepen dat [gedaagde sub 2] , anders dan inherent is aan een persoonlijk adviseur, niet (alleen) handelde in het belang van [eiser] , maar een eigen belang had bij de uitkomst van de onderhandelingen met AAP. [gedaagde sub 2] was (via zijn vennootschap) immers zelf ook partij bij de overeenkomsten waardoor [eiser] en Bisbeez zich nu benadeeld voelen. Hij werd daarbij zelfs bijgestaan door een eigen advocaat.
3.4.5.Op zichzelf terecht hebben [eiser] en Bisbeez aangevoerd dat die omstandigheden er niet aan in de weg hoeven te staan dat [gedaagde sub 2] ingevolge een buiten [gedaagde sub 1] om gesloten overeenkomst ook als adviseur van [eiser] in privé diende op te treden, maar, nog daargelaten dat dan sprake zou zijn geweest van onaanvaardbare belangenverstrengeling waartegen [eiser] en Bisbeez gedurende het onderhandelingsproces nimmer hebben geprotesteerd, hebben [eiser] en Bisbeez geen feiten aangevoerd waaruit afgeleid kan worden dat een dergelijke overeenkomst is gesloten. [eiser] en Bisbeez hebben zelfs niet gesteld dat [gedaagde sub 2] op enig moment is verzocht om als persoonlijk adviseur van [eiser] op te gaan treden.
3.4.6.Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat ook de wijze waarop de werkzaamheden van [gedaagde sub 2] zijn gefactureerd een contra-indicatie oplevert voor de gedachte dat hij buiten [gedaagde sub 1] om een overeenkomst met [eiser] of een van diens vennootschappen had gesloten voor het verrichten van (advies)werkzaamheden. [eiser] noch een van zijn vennootschappen heeft aan [gedaagde sub 2] of diens vennootschap [naam vennootschap] enige betaling gedaan voor diens werkzaamheden. [gedaagde sub 2] heeft al zijn werkzaamheden vanaf zijn betrokkenheid bij de onderneming van [eiser] totdat de IA werd gesloten en hij CEO werd gedeclareerd via zijn vennootschap [naam vennootschap] aan [gedaagde sub 1] (als
“management-vergoeding”). [gedaagde sub 1] heeft die werkzaamheden bij facturen van 13 augustus 2015, 17 augustus 2015, 15 september 2015, 13 oktober 2015, 12 november 2015 en 10 december 2015 telkens als
“Declaratie voor interim-management werkzaamheden”in rekening gebracht bij [bedrijf]
3.4.7.Omdat er, anders dan de primaire grondslag van de vordering vooronderstelt, niet van kan worden uitgegaan dat [gedaagde sub 2] zich had verbonden om [eiser] in privé te adviseren bij de herstructurering van diens bedrijf, kan die grondslag ook ten aanzien van [gedaagde sub 2] niet tot toewijzing van de vordering leiden.
Overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [bedrijf]
(subsidiaire grondslag)