De betrokkene werd beboet voor het rijden op het trottoir op de Brink te Assen op 17 april 2022. Hij betwistte de boete met het argument dat de bebording onduidelijk was en dat hij niet tijdig geïnformeerd was over het verbod. Tevens vorderde hij een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen door de officier van justitie.
De rechtbank stelde vast dat de bebording op de toegangswegen naar de Brink duidelijk en zichtbaar was en dat de betrokkene had moeten weten dat rijden daar niet was toegestaan. Het verzoek tot dwangsom werd afgewezen omdat de betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een ingebrekestelling tijdig had verzonden.
Daarnaast constateerde de rechtbank dat de betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld om gehoord te worden in het administratief beroep, wat een schending van het recht op hoor en wederhoor betekende. Dit leidde tot een matiging van de boete met 25%. Verder werd de boete nogmaals met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting, waardoor de sanctie uiteindelijk werd vastgesteld op € 93,37.