Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[klaagster] ,
Procedure
- de officier van justitie, mr. D. Roggen;
- klaagster;
- de raadsvrouw van klaagster, mr. J.M. Janson;
- verdachte;
- de raadslieden van verdachte, mr. T. van der Goot en mr. R.G. Knegt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Nederland
In deze strafrechtelijke procedure heeft de praktijkondersteuner van een huisarts beklag ingediend tegen een vordering van het Openbaar Ministerie tot het verstrekken van haar intake- en gespreksverslagen met de verdachte, een voormalig verpleegkundige verdacht van het voortijdig beëindigen van het leven van COVID-patiënten.
De rechtbank stelt vast dat het verschoningsrecht van de praktijkondersteuner op grond van artikel 218 Sv Pro geldt en dat dit recht slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden doorbroken. Hoewel sprake is van ernstige verdenkingen en de officier van justitie stelt dat de gegevens van doorslaggevende betekenis zijn voor het onderzoek, oordeelt de rechtbank dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de gevorderde gegevens nieuwe of aanvullende cruciale informatie bevatten.
De rechtbank weegt mee dat de verdachte zijn verhaal reeds aan andere zorgverleners heeft gedaan die hun geheimhoudingsplicht hebben doorbroken, en dat het medisch dossier van het ziekenhuis al met politie en justitie is gedeeld. Gezien het ontbreken van objectief bewijs dat de gesprekken met de praktijkondersteuner aanvullende informatie opleveren, en de privacybelangen van de verdachte, verklaart de rechtbank het beklag gegrond en beveelt de teruggave van de verzegelde gegevens.
Uitkomst: Het beklag van de praktijkondersteuner wordt gegrond verklaard en de gevorderde gegevens worden teruggegeven.