Eiser verzocht het college om een omgevingsvergunning voor bewoning van een bedrijfsgebouw, maar het college weigerde deze vergunning met een brief van 20 april 2022. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat eerder al een vergunning van rechtswege was verleend, waardoor het verzoek van 31 december 2021 niet als een aanvraag kon worden aangemerkt.
De rechtbank overwoog dat de brief van 20 april 2022 geen besluit in de zin van de Awb was, omdat het college niet op een geldige aanvraag had gereageerd. Hierdoor had het college het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Tevens stelde de rechtbank vast dat het college te laat had beslist op het bezwaar, waardoor een dwangsom van € 1.082,- aan eiser verschuldigd is.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Daarnaast werd het griffierecht aan eiser vergoed, maar geen proceskostenvergoeding toegekend omdat de gemachtigde niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van beroepsmatige rechtsbijstand.