ECLI:NL:RBNNE:2024:847

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
18.013484.21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en oplegging ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel bij diefstal met valse sleutels

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 14 maart 2024 uitspraak gedaan in een zaak tegen veroordeelde, die was veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij valse sleutels werden gebruikt. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €13.575,21.

Tijdens de terechtzitting van 29 februari 2024 stelde de verdediging dat het ontnemingsbedrag verminderd moest worden vanwege het ontbreken van volledige wetenschap van de verdachte over de onrechtmatige pintransacties en de onduidelijkheid over de opbrengst van inbeslaggenomen goederen. De rechtbank baseerde haar schatting op diverse bewijsmiddelen, waaronder proces-verbalen en verklaringen, en stelde vast dat het totale bedrag van de onbevoegd gedane pintransacties €13.575,21 bedroeg.

Na aftrek van bedragen waarvoor toestemming was gegeven (€1.000 en een telefoon ter waarde van €739) en de waarde van inbeslaggenomen goederen (€6.836,21), kwam de rechtbank tot een geschat wederrechtelijk verkregen voordeel van €5.000. Dit bedrag werd gelijk verdeeld tussen veroordeelde en zijn medeverdachte, waardoor het bedrag van €2.500 aan veroordeelde werd opgelegd als betalingsverplichting aan de staat. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 50 dagen.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige strafkamer en ondertekend door de rechters H. Brouwer en M. Lok; voorzitter M.C. Fuhler was buiten staat mede te ondertekenen.

Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde een betalingsverplichting van €2.500 op ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Groningen
parketnummer 18/013484-21
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 14 maart 2024 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

veroordeelde, geboren op [geboorte datum] 2000 te [geboorte plaats] , wonende te [adres] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 23 januari 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 13.575,21 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/013484-21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 29 februari 2024. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. W. Koopmans, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de veroordeelde gezamenlijk met zijn mededader wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde tot een bedrag van 10.000,-. De helft van dat bedrag, 5.000,-, heeft veroordeelde verdiend. De betalingsverplichting moet vervolgens op 2.500,- worden vastgesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontnemingsbedrag in eerste instantie verminderd dient te worden met 4.520,71, omdat veroordeelde niet de gehele ten laste gelegde periode wetenschap had van het feit dat werd gepind met de pas van aangever zonder diens toestemming. Verder blijkt uit het dossier dat veel van de gekochte goederen in beslag zijn genomen en vervolgens vermoedelijk zijn doorverkocht. De verkoopwaarde of opbrengst van de inbeslaggenomen goederen blijkt niet uit het dossier. Het is daarom niet aannemelijk gemaakt dat veroordeelde voordeel heeft genoten en hoe hoog dit voordeel was. De ontnemingsvordering dient dan ook te worden afgewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De door verdachte ter zitting van 29 februari 2024 afgelegde verklaring;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 november 2020, opgenomen op pagina 58 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-
20203494 94 d.d. 9 juni 2021, inhoudend de verklaring van [getuige] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 december 2020, opgenomen op pagina 154 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 januari 2021, opgenomen op pagina 808 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] .

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 14 maart 2024 in de zaak met parketnummer 18/01348421 veroordeeld ter zake een diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aannemelijk geworden dat de veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het door hem gepleegde strafbare feit.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat het proces-verbaal van bevindingen van 9 december 2020 waaruit een bedrag van 13.575,21 volgt. Dit betreft de optelsom van de volgens aangever onbevoegd gedane pintransacties.
Aangever heeft later aangegeven dat hij voor een tweetal bedragen toestemming heeft gegeven, te weten een gepind bedrag van 1.000,- en een telefoon ter waarde van 739,-. Die bedragen moeten in mindering worden gebracht. Uit het dossier blijkt niet dat aangever voor andere aankopen zijn toestemming heeft gegeven. Daarnaast zijn er goederen in beslag genomen bij veroordeelde en medeveroordeelde. De totale waarde van deze inbeslaggenomen goederen waardeert de rechtbank op een totaalbedrag van 6.836,21 (zijnde de optelsom van de geschatte waarde van de op de beslaglijst vermelde goederen). De rechtbank brengt dit dan ook in mindering op het totaalbedrag.
Dit levert de volgende berekening op:
Totaal aan gepinde bedragen 13.575,21
Gepind geld- 1.000,-
Telefoon- 739,-
Waarde inbeslaggenomen goederen- 6.836,21
Wederrechtelijk verkregen voordeel (afgerond)
5.000,-
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde samen met zijn medeveroordeelde een geschat bedrag van 5.000,- voordeel heeft genoten. De rechtbank gaat uit van een gelijke verdeling en zal het wederrechtelijk verkregen voordeel pondspondsgewijs toerekenen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt dus geschat op 2.500,-, en de rechtbank zal dit bedrag ook opleggen als betalingsverplichting aan veroordeelde.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 2.500,-.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 50 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. H. Brouwer en mr. M. Lok, rechters, bijgestaan door mr. L.M. Jongman, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 maart 2024.
Mr. M.C. Fuhler is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.