ECLI:NL:RBNNE:2024:858

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2024
Publicatiedatum
14 maart 2024
Zaaknummer
231870 e.a.
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 369 lid 6 FwArt. 369 lid 7 FwArt. 370 lid 3 FwArt. 376 lid 2 FwArt. 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek afkondigen afkoelingsperiode op grond van de WHOA wegens onvoldoende aannemelijkheid van insolventietoestand

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 4 maart 2024 het verzoek van drie besloten vennootschappen en een stichting tot het afkondigen van een afkoelingsperiode op grond van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA). Verzoekers hadden verklaringen gedeponeerd en een verzoekschrift ingediend waarin zij stelden dat zij niet in staat zijn om aan een veroordeling tot betaling van ruim €460.000 te voldoen, en dat executie van het vonnis de continuïteit van hun onderneming zou bedreigen.

De rechtbank stelde vast dat verzoekers gekozen hadden voor een besloten akkoordprocedure en dat zij bevoegd waren om dit verzoek in te dienen. Tijdens de zitting werd het verzoek toegelicht en werd een zienswijze van de schuldeiser ingebracht, die stelde dat het verzoek summier was en onvoldoende onderbouwd met financiële overzichten en prognoses. De schuldeiser betoogde dat het verzoek er vooral op gericht was om executie te frustreren en dat zij door een afkoelingsperiode in haar belangen zou worden geschaad.

De rechtbank oordeelde dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij zich in de WHOA-toestand bevinden, namelijk dat zij niet meer aan hun lopende verplichtingen kunnen voldoen en dat een toekomstige insolventie onafwendbaar is zonder schuldenherstructurering. Verzoekers hadden geen liquiditeitsprognoses of andere financiële onderbouwing verstrekt, terwijl de schuldeiser juist had aangetoond dat verzoekers over voldoende middelen beschikken. Hierdoor werd het verzoek tot afkondiging van de afkoelingsperiode afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de WHOA-toestand.

Uitspraak

Rechtbank NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
Afwijzing verzoek afkondigen afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw Pro
rekestnummer: 231870 FT RK 24-199
231871 FT RK 24-200
231872 FT RK 24-201
uitspraak: 4 maart 2023
beschikking op het ingekomen verzoekschrift van
1. de besloten vennootschap,
[Verzoeker 1]
statutair gevestigd te [woonplaats] ,
2. de besloten vennootschap
[verzoeker 2]
statutair gevestigd te [woonplaats]
3. de stichting
[verzoeker 3] ,
statutair gevestigd te [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.A. Wensing, kantoorhoudende te Emmen.
hierna afzonderlijk te noemen [Verzoeker 1] [verzoeker 2] en [verzoeker 3] en tezamen te noemen [verzoekers] .

1.De procedure

1.1.
[verzoekers] heeft op 6 februari 2024 verklaringen ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet Pro (Fw) ter griffie gedeponeerd. Bij verzoekschrift met bijlagen van 8 februari 2024 heeft [verzoekers] . verzocht een afkoelingsperiode te gelasten voor een periode van vier maanden.
1.2.
[verzoekers] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.3.
Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode is op 26 februari 2024 middels een video-verbinding behandeld in aanwezigheid van mr. S.A. Wensing, voornoemd, de heer [naam] , bestuurder van [verzoeker 2] en [verzoeker 3] en middellijk bestuurder van [Verzoeker 1] mr. dr. R.W.A. Brunninkhuis, advocaat van mevrouw [schuldeiser] ), wonende te [woonplaats] , [land] , en mr. G. Sengers, kantoorgenoot van mr. R.W.A. Brunninkhuis.
1.4.
Voorafgaand aan de zitting heeft [schuldeiser] een zienswijze overgelegd.
1.5.
De rechtbank heeft de uitspraak vastgesteld op vandaag.
2. Het verzoek en de onderbouwing daarvan
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
2.1.
[Verzoeker 1] exploiteert een [bedrijf] gericht op de nationale en internationale markt.
2.2.
Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 januari 2024 is [verzoekers] veroordeeld om aan [schuldeiser] een bedrag te betalen van € 460.034,02 in hoofdsom, nog te vermeerderen met proceskosten en wettelijke rente. Ter uitvoering van dit vonnis heeft [schuldeiser] op 20 en 21 februari 2024 diverse beslagen doen leggen onder [verzoekers] , onder meer op roerende zaken en paarden.
2.3.
Het verzoek is door en namens [verzoekers] schriftelijk en ter zitting toegelicht en daartoe is - voor zover van belang - het volgende aangevoerd. [verzoekers] is niet in staat om te voldoen aan de veroordeling als uitgesproken in het vonnis van 24 januari 2024. Als [schuldeiser] tot executie van het vonnis overgaat, komt de continuïteit van de onderneming in gevaar omdat [verzoekers] dan gedurende een langere periode niet aan haar lopende verplichtingen zal kunnen voldoen. Om een faillissement te voorkomen acht [verzoekers] . een afkoelingsperiode noodzakelijk om de onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord te kunnen voortzetten. Volgens [verzoekers] is de onderneming voldoende levensvatbaar. Bovendien is een afkoelingsperiode in het belang van de gezamenlijke schuldeisers en worden de in artikel 376 lid 2 Fw Pro bedoelde derden niet wezenlijk in hun belangen geschaad.

3.Zienswijzen

3.1.
[schuldeiser] heeft in haar zienwijze aangevoerd dat het verzoek van [verzoekers] tot het afkondigen van een afkoelingsperiode uiterst summier is. Er is geen lijst met belanghebbenden, overzichten van baten en lasten, crediteurenoverzichten of liquiditeitsprognoses overgelegd. Volgens [schuldeiser] blijkt uit het verzoek daarom niet dat het afkondigen van een afkoelingsperiode noodzakelijk is. Gelet op de timing van het verzoek, vlak nadat [schuldeiser] een executoriale titel jegens [verzoekers] had verkregen, is het verzoek er enkel op gericht om de verhaalsmogelijkheden van [schuldeiser] te frustreren. Bovendien zal [schuldeiser] als gevolg van een afkoelingsperiode de executie van de door haar gelegde beslagen niet kunnen vervolgen, terwijl haar vordering al dateert uit 2015. Zij wordt daardoor wezenlijk in haar belangen geschaad. Tot slot heeft [schuldeiser] aangevoerd dat, gelet op het handelen van [verzoekers] in het verleden, niet ondenkbaar is dat [verzoekers] gedurende een afkoelingsperiode vermogen zal onttrekken aan verhaal.

4.De beoordeling

Eerste verzoek
4.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderhavige verzoek tot afkondigen van een afkoelingsperiode het eerste verzoek is dat [verzoekers] aan de rechtbank heeft voorgelegd na het deponeren van de startverklaringen. Dat betekent dat de rechtbank nu moet vaststellen welk soort akkoordprocedure als bedoeld in art. 369 lid 6 Fw Pro door [verzoekers] is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of aan haar de rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Volgens de gedeponeerde startverklaringen kiest [verzoekers] voor een besloten akkoordprocedure.
Rechtsmacht
4.3.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef Pro en onder b Fw jo artikel 3 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) jo artikel 1:10 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) bevoegd deze procedure te openen, nu [verzoekers] in Nederland is gevestigd. De rechtbank Noord-Nederland is relatief bevoegd. De besloten akkoordprocedure en de bevoegdheid van de rechtbank liggen hiermee voor de volledige duur van de akkoordprocedure vast.
Startverklaring en afkoelingsperiode
4.4.
[verzoekers] heeft op 6 februari 2024 verklaringen als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw Pro gedeponeerd ter griffie van de rechtbank. Bij het verzoek om een afkoelingsperiode is door [verzoekers] toegezegd dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw Pro zal aanbieden. [verzoekers] kan dan ook worden ontvangen in haar verzoek om een afkoelingsperiode.
Verzoek afkoelingsperiode
4.5.
Het verzoek van [verzoekers] tot het afkondigen van een afkoelingsperiode is gebaseerd op de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA). Daarom moet redelijkerwijs aannemelijk zijn dat [verzoekers] in de toestand verkeert waarin zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Bij de beoordeling of sprake is van deze toestand zijn twee facetten van belang, namelijk dat (1) [verzoekers] nog in staat is om aan haar lopende verplichtingen te voldoen, maar dat (2) geen realistisch vooruitzicht bestaat dat een toekomstige insolventie kan worden afgewend als haar schulden niet worden geherstructureerd. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekers] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat deze WHOA-toestand zich hier voordoet. Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode moet daarom worden afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
4.6.
Uit het verzoekschrift van [verzoekers] blijkt op geen enkele wijze of en zo ja, op welke wijze [verzoekers] over voldoende liquiditeit beschikt om aan haar lopende verplichtingen te voldoen. Ook ter zitting heeft [verzoekers] hierover geen enkele informatie verschaft. Het had op de weg van [verzoekers] gelegen om met bijvoorbeeld een liquiditeitsprognose te onderbouwen hoe zij gedurende een afkoelingsperiode aan haar lopende verplichtingen zal kunnen voldoen. Ten aanzien van een onafwendbare insolventie heeft [verzoekers] in haar verzoekschrift weliswaar gesteld dat executie van het vonnis van 24 januari 2024 door [schuldeiser] zal leiden tot een faillissement van [verzoekers] , maar deze stelling is op geen enkele manier onderbouwd. Daarbij komt dat [schuldeiser] in haar zienswijze heeft aangevoerd- en hier is door [verzoekers] niet op gereageerd - dat uit de door haar gelegde beslagen van 20 en 21 februari 2024 blijkt dat [verzoekers] over (ruim) voldoende middelen beschikt om aan de veroordelingen te voldoen. Hoe zich dit verhoudt tot de stelling dat (het vervolgen van) de executie van het vonnis onvermijdelijk zal leiden tot insolventie van [verzoekers] , is daarom in het geheel niet duidelijk geworden.
4.7.
Nu de rechtbank heeft geconcludeerd dat [verzoekers] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WHOA-toestand van toepassing is, is er geen ruimte voor toewijzing van het door haar ingediende verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Idzenga, voorzitter, mr. J.H. Steverink en mr. A.J. Wolfs, rechters, en in aanwezigheid van mr. M. Blom, griffier, in het openbaar uitgesproken door mr. H.J. Idzenga op 4 maart 2024.