Verzoekers, bestaande uit achttien entiteiten binnen een concern, hebben een verzoek ingediend tot het gelasten van een afkoelingsperiode van twee maanden en nevenvoorzieningen op grond van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA). Dit verzoek volgde op het opzeggen van kredietfaciliteiten door belangrijke schuldeisers, wat aanleiding gaf tot het starten van het WHOA-traject. Verzoekers stelden dat zonder de afkoelingsperiode de exploitatie van het onroerend goed binnen het concern zou moeten worden gestaakt, wat de continuïteit van de ondernemingen ernstig zou bedreigen.
Tijdens de zitting werden de verzoeken toegelicht en werden zienswijzen van schuldeisers ingebracht, die twijfels uitten over de financiële onderbouwing en het vertrouwen in het correcte verloop van het WHOA-traject. De rechtbank stelde vast dat verzoekers hebben gekozen voor een besloten akkoordprocedure en dat de rechtbank bevoegd en relatief bevoegd is om over het verzoek te beslissen.
De kern van de beoordeling betrof de vraag of verzoekers zich in een WHOA-toestand bevinden, waarbij zij niet kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden zonder herstructurering. De rechtbank oordeelde dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij gedurende de gevraagde afkoelingsperiode aan hun lopende verplichtingen kunnen voldoen. De overgelegde liquiditeitsprognoses waren onvoldoende betrouwbaar en het benodigde overbruggingskrediet van € 25 miljoen was nog niet toegezegd of verstrekt.
Daarmee concludeerde de rechtbank dat niet is voldaan aan de WHOA-toestand en wees het verzoek tot gelasting van de afkoelingsperiode en nevenvoorzieningen af. De beschikking werd op 13 maart 2024 door de rechtbank Noord-Nederland uitgesproken.