ECLI:NL:RBNNE:2025:1006

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2025
Publicatiedatum
18 maart 2025
Zaaknummer
18-244678-22 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na hennephandel

Het Openbaar Ministerie vorderde op 7 november 2024 ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van €64.933,61, voortvloeiend uit de handel in hennep. De rechtbank hield een zitting op 2 december 2024 en behandelde het dossier, waarin veroordeelde werd bijgestaan door zijn raadsman. De verdediging betwistte de hoogte van het voordeel en stelde dat de totale winst veel lager was.

De rechtbank baseerde haar oordeel op bewezenverklaringen van de verkoop van 4 kilo hennep geëxporteerd naar Duitsland en 9 kilo verkocht in Nederland, waarbij zij uitging van marktconforme prijzen. Kosten werden geraamd op basis van een functioneel parket rapport, waarbij de productie- en variabele kosten per plant werden meegenomen.

De totale opbrengst minus kosten resulteerde in een wederrechtelijk verkregen voordeel van €51.985,05. De rechtbank ging uit van een gelijke verdeling met een medepleger, waardoor veroordeelde een voordeel van €25.992 heeft genoten. Dit bedrag werd als betalingsverplichting opgelegd. De rechtbank matigde de sanctie niet wegens eerdere termijnoverschrijding, die reeds in de hoofdzaak was gecompenseerd.

De beslissing werd genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de rechtbank stelde tevens de duur van de gijzeling vast op maximaal 519 dagen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarvan één niet medeondertekende wegens afwezigheid.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €25.992 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/244678-22
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 14 januari 2025 op een vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
[adres] .
Hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

Het Openbaar Ministerie heeft op 7 november 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 64.933,61 ter ontneming van het uit het in de
zaak met parketnummer 18/244678-22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 2 december 2024.
Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink en
mr. D. Roggen.
Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 7 januari 2024. Veroordeelde en zijn raadsman zijn toen niet ter terechtzitting verschenen. Het Openbaar Ministerie is toen ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gepersisteerd in de vordering tot ontneming. Wanneer uitgegaan wordt van een winstverdeling waarbij negentig procent aan veroordeelde toekwam, bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel 64.933,61. Wanneer het wederrechtelijk verkregen voordeel ponds-pondsgewijs wordt verdeeld, bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel 36.074,22.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen, nu hij een integrale vrijspraak heeft bepleit. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ten hoogste 5.000,- bedraagt. Dat veroordeelde de kweker zou zijn geweest van de hennep, blijkt niet uit het dossier. Daardoor heeft veroordeelde zelf aanzienlijke kosten moeten maken ten behoeve van de inkoop. De totale winst valt daardoor veel lager uit, aldus de raadsman.

Grondslag voor de ontnemingsmaatregel

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 14 januari 2025 in de zaak met parketnummer 18/244678-22 onder meer veroordeeld ter zake van:
  • het exporteren van 4 kilo hennep in de periode van 31 maart 2020 tot en met 3 april 2020
  • het verkopen van 9 kilo hennep in de periode van 8 april 2020 tot en met 11 april 2020
In het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarnaast uitgegaan van de verkoop van 1 kilo hennep op 31 maart 2020. De rechtbank vindt echter onvoldoende aannemelijk dat er ook op 31 maart 2020 1 kilo hennep is verkocht en zal die daarom niet meenemen als grondslag voor de ontnemingsmaatregel. Ten aanzien van de verkoop in de periode van 8 tot en met 11 april 2020 gaat de rechtbank uit van de bewezenverklaarde 9 kilo, omdat onvoldoende vast staat dat de extra kilo daadwerkelijk geleverd en betaald is.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met bijlagen op pagina 390 e.v. van het dossier van de Politie Noord-Nederland met OPS-
dossiernummer NNRAA21030, gesloten op 14 februari 2023.
2- Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 511
e.v. van voornoemd dossier, onder meer inhoudende: Om 15:25 uur zegt [naam] dat de koper er met 15 minuten is. Om 15:46 uur zegt [naam] tegen [naam] dat hij heeft verkocht voor 43. Ze pakken nu zeven, morgen drie. Het geld ligt er al. Om 17:27 uur zegt [naam] tegen [naam] dat de koper ineens geld heeft voor tien. [naam] is wel thuis. [naam] zegt dat hij eerst wel negen geeft.
Oordeel van de rechtbank
Opbrengst export van 4 kilo hennep
In het rapport berekening voordeel wordt aangegeven dat in Duitsland de prijs voor hennep, voor hoeveelheden tussen 1,5 en 10 kilo, in 2021, gemiddeld 4.196,- bedroeg. De rechtbank zal uitgaan van die prijs. Concrete aanknopingspunten dat er een hoger bedrag is betaald dan dat, bevat het dossier namelijk niet.
Dit betekent dat er met de verkoop van 4 kilo een bedrag van 16.784 (4 kilo x 4.196) is verdiend.
Opbrengst verkoop in Nederland
Ten aanzien van de verkoop van 9 kilo in Nederland gaat de rechtbank uit van een verkoopprijs van 4.300 die uit de chats blijkt.
Dit betekent dat er met de verkoop van 9 kilo een bedrag van 38.700 (9 kilo x 4.300) is verdiend.
Kosten
Nu verdachte geen enkele verklaring heeft afgelegd over eventuele kosten, en er ook overigens uit het strafdossier geen informatie naar voren is gekomen over kosten, is in voornoemd rapport gebruik gemaakt van het rapport Functioneel Parket Afpakken (FPA). In dit rapport wordt gesteld dat de gemiddelde opbrengst per plant, met een betrouwbaarheid van 95%, 28,2 gram hennep bedraagt. Voor een kilo hennep zijn er afgerond 35 planten nodig. Volgens het rapport FPA bedraagt de inkoopprijs voor een hennepstek 3,81 en de variabele kosten bedroegen 3,88 per plant. De variabele kosten bestaan onder andere uit voeding, water en een kweekmedium. Per plant wordt er dus een bedrag van 7,69 aan kosten gemaakt. Voor een kilo betekent dit 35 x 7,69, een bedrag van 269,15 aan kosten voorde productie van een kilo hennep.
Er is 4 kilo hennep geëxporteerd naar Duitsland. Dit betekent een kostenpost van 1.076,60 (4 kilogram x 269,15).
Er is daarnaast 9 kilogram hennep verkocht. Dit betekent een kostenpost van (9 x 269,15) 2.422,35.
De totale kosten bedragen dan ( 1.076,60 + 2.422,35) 3.498,95.
Berekening
Dit levert de volgende berekening op:
Opbrengsten
16.784,-
38.700,-
Kosten
1.076,60
2.422,35 -
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: 51.985.05
De rechtbank gaat ervan uit dat de veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel met de medepleger heeft gedeeld. De rechtbank gaat uit van een ponds-ponds gewijze verdeling; aanknopingspunten die nopen tot een andere verdeling zijn er niet.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 25.992,- voordeel heeft genoten, en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.
De rechtbank ziet geen redenen de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen dan het hiervoor genoemde bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu in de hoofdzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden en die overschrijding matiging van de aan de veroordeelde opgelegde straf tot gevolg heeft gehad, acht de rechtbank de schending van de redelijke termijn daarmee voldoende gecompenseerd. De rechtbank ziet daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 25.992,-.
Legt veroordeelde voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 25.992,- (zegge: vijfentwintigduizend negenhonderdtweeënnegentig euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 519 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en
mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. D.H. Röben, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 januari 2025.
mr. E.P. van Sloten is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.