Het Openbaar Ministerie vorderde op 7 november 2024 ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van €64.933,61, voortvloeiend uit de handel in hennep. De rechtbank hield een zitting op 2 december 2024 en behandelde het dossier, waarin veroordeelde werd bijgestaan door zijn raadsman. De verdediging betwistte de hoogte van het voordeel en stelde dat de totale winst veel lager was.
De rechtbank baseerde haar oordeel op bewezenverklaringen van de verkoop van 4 kilo hennep geëxporteerd naar Duitsland en 9 kilo verkocht in Nederland, waarbij zij uitging van marktconforme prijzen. Kosten werden geraamd op basis van een functioneel parket rapport, waarbij de productie- en variabele kosten per plant werden meegenomen.
De totale opbrengst minus kosten resulteerde in een wederrechtelijk verkregen voordeel van €51.985,05. De rechtbank ging uit van een gelijke verdeling met een medepleger, waardoor veroordeelde een voordeel van €25.992 heeft genoten. Dit bedrag werd als betalingsverplichting opgelegd. De rechtbank matigde de sanctie niet wegens eerdere termijnoverschrijding, die reeds in de hoofdzaak was gecompenseerd.
De beslissing werd genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de rechtbank stelde tevens de duur van de gijzeling vast op maximaal 519 dagen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarvan één niet medeondertekende wegens afwezigheid.