ECLI:NL:RBNNE:2025:1011
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De officier van justitie vorderde op 13 december 2024 dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en veroordeelde verplicht tot betaling van €12.178,65 aan de staat. Tijdens de terechtzitting op 28 januari 2025 vroeg de officier van justitie echter afwijzing van de vordering vanwege de beperkte rol van veroordeelde en de reeds toegewezen schadevergoedingen aan benadeelde partijen.
De verdediging stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel slechts €150 bedroeg, conform de verklaring van veroordeelde. De rechtbank oordeelde dat op basis van de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting is besproken onvoldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de ten laste gelegde feiten.
Gelet op artikel 36e Wetboek van Strafrecht wees de rechtbank de vordering tot ontneming af. Veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplichtigheid aan het gebruik van een geautomatiseerd werk om goederen of diensten zonder volledige levering te verkopen en voor gewoontewitwassen. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij één rechter niet medeondertekende.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijk genoten wederrechtelijk voordeel.