De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €24.000,- van de veroordeelde, voortvloeiend uit strafbare feiten waaronder medeplegen van opzettelijke overtredingen van de Opiumwet en witwassen.
Tijdens de terechtzitting op 25 maart 2025 betwistte de verdediging de hoogte van het bedrag en stelde een lagere ontnemingsvordering van €15.000,- voor, met name omdat inkomsten uit verhuur van een vakantiewoning volgens hen niet in direct verband stonden met de strafbare feiten.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis van de meervoudige kamer, een wettelijk opgesteld rapport van 17 februari 2025 en de verklaring van de veroordeelde. De rechtbank oordeelde dat de huuropbrengsten uit de vakantiewoning wel degelijk in verband staan met de strafbare feiten, omdat medeverdachten hier verbleven tijdens de productie van amfetamine.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €23.000,-, bestaande uit huuropbrengsten en opbrengsten uit de productie, zonder aftrek van kosten. De vordering tot ontneming werd daarmee gedeeltelijk toegewezen. Tevens werd de duur van gijzeling vastgesteld op maximaal 460 dagen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland op 8 april 2025.