Veroordeelde heeft zich verzet tegen een dwangbevel dat was uitgevaardigd ter inning van een in Duitsland opgelegde geldboete vermeerderd met verhogingen en administratiekosten. Het dwangbevel werd op 8 september 2023 afgegeven en op 12 september 2023 betekend aan veroordeelde door achterlating in een gesloten envelop op zijn adres.
Het verzetschrift werd echter pas op 26 november 2024 ontvangen door de rechtbank, ruim na de wettelijk voorgeschreven termijn van twee weken na betekening. De rechtbank stelde vast dat het verzet daardoor niet tijdig was ingesteld.
Namens de Minister van Justitie en Veiligheid werd aangevoerd dat veroordeelde niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde veroordeelde niet-ontvankelijk in het verzet. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025 door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden.
Veroordeelde wordt gewezen op de mogelijkheid tot cassatie binnen veertien dagen na betekening van deze beslissing, onder de voorwaarde van betaling van het verschuldigde bedrag als zekerheidsstelling.