Op 2 mei 2024 heeft de veroordeelde beroep ingesteld tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische beslissing tot confiscatie van een bedrag van 120.111,25 euro. De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, behandelde het beroep op 19 maart 2025, waarbij veroordeelde en zijn raadsman niet verschenen.
De rechtbank toetste of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen, zonder in te gaan op het buitenlandse rechtsgeding zelf. De elektronische handtekening onder de erkenningsbeslissing voldeed aan de wettelijke eisen, waardoor de rechtbank geen reden zag om aan de authenticiteit te twijfelen.
De verdediging voerde aan dat de ondertekening niet geverifieerd kon worden en dat nadere informatie over vertegenwoordiging en afstand van hoger beroep ontbrak. De rechtbank verwierp deze argumenten, stelde dat de termijn van 45 dagen voor erkenning niet ten gunste van veroordeelde is en dat het opvragen van aanvullende informatie bij Belgische autoriteiten niet noodzakelijk was.
De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig waren en verklaarde het beroep ongegrond. De rechtsgeldigheid van de erkenningsbeslissing werd bevestigd en het verzoek tot aanhouding van de behandeling afgewezen.