ECLI:NL:RBNNE:2025:1639

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
1 mei 2025
Zaaknummer
24-031157
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 WWETGCArt. 36 WWETGCVerordening (EU) 2018/1805
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging van Belgische confiscatiebeslissing

Veroordeelde stelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland van een Belgische beslissing tot confiscatie van een geldbedrag van 33.062,50 euro, opgelegd in 2015. Zij voerde aan dat zij niet op de hoogte was van deze boete en dat de verjaringstermijn verstreken zou zijn. Tevens verzocht zij om kwijtschelding of vermindering van het bedrag vanwege haar betalingsonmacht.

De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van tien jaar opnieuw is gaan lopen na de opening van een strafuitvoeringsonderzoek in augustus 2023, waardoor de termijn voor tenuitvoerlegging nog niet is verstreken. Het feit dat veroordeelde tien jaar niets heeft vernomen over deze boete en niet in staat is het bedrag te betalen, vormt geen grond om de tenuitvoerlegging te weigeren.

De rechtbank benadrukte dat zij niet mag treden in het buitenlandse rechtsgeding en dat de wet en de toepasselijke EU-verordening geen ruimte bieden voor kwijtschelding of vermindering. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot kwijtschelding niet-ontvankelijk.

De beslissing werd genomen door de meervoudige raadkamer van de Rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden op 23 april 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot kwijtschelding niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer 24-031157
cjib-zaaknummer 3072542300000303
Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 23 april 2025 op het beroep op grond van artikel 39 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[verdachte] ,

geboren op [geboorte datum] 1982 te [geboorte plaats] , wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
Op 13 december 2024 is door veroordeelde beroep ingesteld tegen de door de officier van justitie op 11 september 2023 genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 1 juni 2015 door de Correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, België, opgelegde beslissing tot confiscatie (bijzondere verbeurdverklaring) van een bedrag van
33.062,50.
Veroordeelde is in de gelegenheid gesteld schriftelijk de gronden van beroep aan te vullen nadat haar een afschrift van de stukken is toegezonden. Veroordeelde heeft daarop aangegeven dat zij mondeling ter zitting haar verhaal wil doen. De officier van justitie heeft nog schriftelijk gereageerd op hetgeen veroordeelde heeft gesteld in haar beroepschrift en in een op 21 januari 2025 aan de rechtbank gezonden e-mailbericht. De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 9 april 2025.
Veroordeelde is verschenen. Het openbaar ministerie werd ter zitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppello.

Motivering

1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van Pro de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van Pro de WWETGC gelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. Veroordeelde heeft - kort gezegd - gesteld dat zij tien jaar lang niets heeft geweten of gehoord van deze boete en dat zij zich afvraagt of dit niet al verjaard is. Veroordeelde verzoekt daarnaast kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete. In een op 21 januari 2025 naar de rechtbank verzonden e-mailbericht heeft veroordeelde aangegeven dat zij nooit heeft geweten van de opgelegde
33.000 euro en dat zij al wel een aantal jaren afbetaalde op een penale boete. Uit de door veroordeelde bijgevoegde stukken blijkt dat dit betreft de bij het vonnis van 1 juni 2015 opgelegde
boete van 1.200 euro, een bedrag van 150 euro voor het slachtofferhulpfonds, alsmede vonniskosten, intrest en inningsrecht.
Ter zitting heeft veroordeelde in het bijzonder aangegeven dat zij niet in staat is een geldbedrag van
33.000 euro te betalen. Zij betaalt al wel af op de opgelegde boete van 2.000 euro maar dat gaat dan ten koste van het betalen van de huur aldus veroordeelde.
6. Het openbaar ministerie heeft in haar schriftelijke reactie van 24 maart 2025 aangegeven dat uit het certificaat naar voren komt dat in augustus 2023 een Strafrechtelijk Uitvoeringsonderzoek is gestart waardoor de tenuitvoerleggingstermijn met 10 jaar is opgeschort naar 29 augustus 2033. Daarmee staat vast dat er nog geen sprake is van verjaring van de termijn voor tenuitvoerlegging. Dat veroordeelde tien jaar lang niets heeft gehoord over dit onderdceel van de veroordeling, maakt dit niet anders. Het gaat niet om een vervolging maar om een tenuitvoerlegging zodat er geen sprake is van overschrijding van een bepaalde termijn, afgezien van de verjaringstermijn voor de uitvoering van het vonnis waarvan nog geen sprake is. De officier van justitie stelt voorts dat de wet en de Verordening 2018/1805 geen ruimte bieden aan Nederland om een beslissing tot kwijtschelding of vermindering te nemen.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. In het door de buitenlandse autoriteit ingevulde certificaat wordt aangegeven dat de oorspronkelijke verjaringstermijn van tien jaren vanaf 1 juni 2015 opnieuw is gaan lopen na opening van het strafuitvoeringsonderzoek op 29 augustus 2023. Hierdoor treedt de verjaring in op 29 augustus 2033. De rechtbank komt op basis hiervan tot het oordeel dat er nog geen sprake is van verjaring van de termijn voor tenuitvoerlegging van het betreffende vonnis. Dat veroordeelde zich tien jaar lang niet bewust is geweest van het feit dat zij ook was veroordeeld tot betaling van dit geldbedrag, maakt dit niet anders. Ook het gegeven dat zij niet in staat is om dit geldbedrag te betalen maakt niet dat het confiscatiebevel niet kan worden erkend en tenuitvoergelegd in Nederland. De door veroordeelde aangevoerde argumenten kunnen niet begrepen worden als een van de in artikel 36 van Pro de WWETGC genoemde facultatieve weigeringsgronden.
9. De rechtbank acht, ook ambtshalve, geen weigeringsgronden aanwezig en zal daarom het ingestelde beroep ongegrond verklaren.
10. Veroordeelde heeft verzocht om kwijtschelding of vermindering van het opgelegde geldbedrag. De WWETGC en de toepasselijke Verordening 2018/1805 bieden voor een dergelijk verzoek geen wettelijke grondslag. De rechtbank kan dit verzoek dan ook niet in behandeling nemen en zal veroordeelde daarin - voor zover nog nodig - niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De rechtbank verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk in het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van het opgelegde bedrag.
Deze beslissing is gegeven op 23 april 2025 door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. G.C. Koelman, rechters,
in tegenwoordigheid van T.L. Komrij, griffier.
Mr. Vlietstra is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.