ECLI:NL:RBNNE:2025:1676

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
7 mei 2025
Zaaknummer
LEE 25/1507
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:42 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake Woo-verzoeken wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekers, Stichting Animalia en een natuurlijke persoon, hebben acht verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), die deze verzoeken buiten behandeling stelde. Verzoekers vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de gevraagde documenten te verkrijgen voor gebruik in een procedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Verzoekers betoogden dat zij de stukken ruim voor de CBb-zitting van 31 juli 2025 nodig hadden om hun procespositie te waarborgen en verwezen naar het recht op een eerlijk proces en het beginsel van equality of arms.

De voorzieningenrechter vroeg om nadere toelichting waarom artikel 8:42 Awb Pro onvoldoende bescherming bood. Verzoekers gaven aan dat het risico bestond dat RvO niet tijdig zou voldoen aan een verzoek van het CBb, waardoor zij benadeeld zouden worden. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat artikel 8:42 Awb Pro voldoende waarborgen biedt dat alle relevante stukken tijdig beschikbaar komen in de procedure bij het CBb en dat het CBb over adequate instrumenten beschikt om dit af te dwingen.

Daarom concludeerde de voorzieningenrechter dat geen onverwijlde spoed bestond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1507

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2025 in de zaak tussen

Stichting Animalia en [naam] , uit [woonplaats] , verzoekers

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder

(gemachtigde: S. Hdada).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het buiten behandeling stellen van acht verzoeken van verzoekers op grond van de Wet open overheid (Woo).
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Verweerder heeft de verzoeken op grond van de Woo buiten behandeling gesteld met het besluit van 18 april 2025. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
2.1.
In het verzoekschrift hebben verzoekers het volgende opgemerkt over het spoedeisend belang in verband met een beroep dat aanhangig is bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb):
‘De CBb-zitting is vastgesteld op 31juli 2025. De informatie in de betreffende Woo-
verzoeken is noodzakelijk om verzoekers in staat te stellen hun standpunten inhoudelijk te onderbouwen. Ook voor het indienen van een zienswijze vóór genoemde datum is deze informatie essentieel.
Indien geen voorlopige voorziening wordt getroffen, worden verzoekers ernstig benadeeld in hun procespositie: de overheid beschikt over de stukken, verzoekers niet. Dit is in strijd met het beginsel van “equality of arms” en het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro)’.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens de volgende vraag aan verzoekers voorgelegd: ‘Wat betreft het spoedeisend belang stelt u de gevraagde documenten nodig te hebben in een procedure bij het CBb waarin de behandeling ter zitting zal plaatsvinden op 31 juli 2025. Kunt u uitleggen waarom u in die procedure ondanks het bepaalde in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet over de relevante stukken zult kunnen beschikken?’.
2.3.
Verzoekers hebben onder meer als volgt gereageerd:
‘Gezien het feit dat de zitting bij het CBb reeds over drie maanden zal plaatsvinden, is het voor verzoekers van belang dat de stukken ruim op tijd beschikbaar komen, zodat deze adequaat kunnen worden beoordeeld, verwerkt en – waar nodig – ingebracht. Het verkrijgen van de stukken enkel via artikel 8:42 Awb Pro is voor verzoekers daarom te riskant.
Gelet op de houding van RvO ten aanzien van het verstrekken van de gevraagde documenten, achten verzoekers het niet aannemelijk dat RvO op een verzoek van het CBb zal ingaan. Er bestaat daarmee een reëel risico dat de discussie over de vraag of de gevraagde stukken op de zaak betrekking hebben, niet vóór de zitting zal zijn afgerond. Dat zou afdoen aan een eerlijke en evenwichtige procesvoering.
Aangezien verzoekers de gevraagde stukken nog niet hebben ontvangen, kan op voorhand niet worden vastgesteld welke documenten het meest relevant zijn om ter onderbouwing van hun standpunt met het CBb te delen. Juist om het CBb niet onnodig te belasten met documenten die wellicht niet relevant zijn of reeds bekend, willen verzoekers eerst beschikken over de volledige set van stukken alvorens een selectie te maken voor procesinbreng.
Om die reden achten verzoekers het noodzakelijk dat in het kader van de Wet open overheid (Woo) zo spoedig mogelijk toegang wordt verkregen tot de gevraagde documenten, en vragen zij u daarom het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen’.
2.4.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt artikel 8:42 van Pro de Awb voldoende waarborgen dat in de procedure bij het CBb alle relevante stukken tijdig aan verzoekers zullen toekomen. De wet biedt het CBb voldoende instrumenten om dit te bewerkstelligen. Om die reden concludeert de voorzieningenrechter dat zich in het kader van de Woo-procedure geen spoedeisend belang voordoet.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
8:42
1. Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.
2. De bestuursrechter kan de in het eerste lid bedoelde termijnen verlengen.
8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.