De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor een zestienjarige jongen met ernstige gedragsproblemen en complexe kindproblematiek. Ondanks de ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling, bleek uit het onderzoek en de mondelinge behandeling dat de ouders niet weigeren hulpverlening, maar dat de problematiek te complex is voor de professionele hulpverlening om effectief te interveniëren.
De kinderrechter stelde vast dat hoewel er grote zorgen zijn over het kind, de tweede wettelijke voorwaarde voor ondertoezichtstelling – het niet accepteren of benutten van hulpverlening door de ouders – onvoldoende is aangetoond. De Raad kon dit niet concreet maken en de ouders hadden ingestemd met eerdere uithuisplaatsingen. Ook de gecertificeerde instelling zag geen meerwaarde in de gevraagde kinderbeschermingsmaatregelen.
De rechtbank benadrukte dat de problematiek zo ingewikkeld is dat zelfs professionele hulpverlening onvoldoende grip heeft. De jeugdreclassering wordt op vrijwillige basis ingezet en de Raad adviseert een strafrechtelijke aanpak. De kinderrechter concludeerde dat toewijzing van de verzoeken zou leiden tot teleurstelling en bureaucratie zonder verbetering van de situatie.
Daarom werden de verzoeken afgewezen, met inachtneming van proportionaliteit en subsidiariteit, en werd de mogelijkheid tot hoger beroep geboden.