ECLI:NL:RBNNE:2025:209
Rechtbank Noord-Nederland
- Verstek
- Rechtspraak.nl
Ontnemingsbeslissing wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit verhuur schuur bij hennepkwekerij
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 23 januari 2025 een ontnemingsbeslissing genomen in de zaak tegen veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor medeplichtigheid aan het medeplegen van telen van hennep. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €479.135,68, maar heeft dit bijgesteld naar €17.090, gebaseerd op de bankstortingen van veroordeelde tussen 1 januari 2021 en 13 januari 2022.
De rechtbank heeft het rapport over het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing gelaten omdat veroordeelde niet als medepleger werd aangemerkt. Uit het onderzoek naar de bankgegevens en de verklaring van veroordeelde blijkt dat zij maandelijks €1.000 contant ontving voor de verhuur van een schuur, welke bedragen zij op haar bankrekening stortte. De rechtbank concludeert dat zij twaalfmaal een bedrag van €1.000 heeft ontvangen, wat neerkomt op €12.000.
De overige bankstortingen acht de rechtbank niet als wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege onvoldoende aanwijzingen dat deze uit het strafbare feit voortvloeiden. De redelijke termijn is overschreden met iets meer dan twee maanden, maar gezien de beperkte duur en eerdere strafvermindering acht de rechtbank dit toereikend geconstateerd.
De rechtbank legt veroordeelde een betalingsverplichting op van €12.000 aan de staat en bepaalt de maximale duur van gijzeling op 240 dagen. De uitspraak is gedaan door drie rechters en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Veroordeelde moet €12.000 betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.