Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair, 2 en 3, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 primair sprake is van ernstige schuld en waarbij bewezen kan worden dat verdachte onder invloed van lachgas heeft gereden, nu uit verschillende getuigenverklaringen van kort na het inhaleren van lachgas blijkt dat verdachte dusdanig opvallend en gevaarlijk reed dat hij niet meer tot normaal rijgedrag in staat kon worden geacht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en 2, maar dat feit 1 subsidiair wel wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 1 primair aangevoerd dat de verklaring van verdachte dat hij kort afgeleid was doordat hij bezig was met een doekje onder de lachgascilinder houden en dat hij daardoor naar links moet hebben gestuurd en op de verkeerde weghelft is beland, mede gelet op de afwezigheid van remsporen, aannemelijk moet worden geacht. Daarmee is enkel sprake geweest van momentane onoplettendheid, hetgeen geen aanmerkelijke onoplettendheid of onvoorzichtigheid oplevert in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en dus onvoldoende is voor een bewezenverklaring van dat artikel. Daarnaast heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed was van lachgas.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte onder invloed van lachgas een auto heeft bestuurd, gelet op de kleine hoeveelheid lachgas die hij tot zich heeft genomen en de korte duur waarbinnen hij dat heeft gedaan. Daarnaast is verdachte na het inhaleren van het lachgas op het terrein van de [bedrijf] enkel naar een parkeerplaats aldaar gereden. Verdachte heeft op dat moment daarom niet deelgenomen aan het verkeer.
T.a.v. feit 1 primair:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 16 mei 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb op 7 januari 2024 in [plaats] over de N365 gereden in een personenauto. [slachtoffer 1] zat op de bijrijdersstoel en [slachtoffer 2] zat op de achterbank. Ik ben ter hoogte van [plaats] de controle over de auto verloren. Gedurende de rit vanaf de [bedrijf] in Stadskanaal tot aan het moment van het ongeluk ben ik constant bezig geweest met het doekje dat onder de lachgastank moest worden gehouden die [slachtoffer 1] tussen zijn benen had. Ik heb niet door gehad dat ik op de verkeerde weghelft ben beland.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Aanrijding misdrijf, inclusief bijlagen, d.d. 15 mei 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024126048 d.d. 30 mei 2024, inhoudend als relaas van verbalisant:
Locatie ongevalDatum: 7 januari 2024
Omstreeks: 20:03 uur
Locatienaam: N365
Ter hoogte van: hectometerpaal 22.9
Plaats: [plaats]
Gemeente: Stadskanaal
Soort weg: een weg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg
Lichtgesteldheid: duisternis
Weersgesteldheid: droog
Toestand van het wegdek: droog
Wegsituatie: rechte weg
Betrokken partijen/objecten1. Personenauto, [gegevens auto] , bestuurder [verdachte]
2. Autobus [gegevens auto], Ebusco N/a, eigenaar Qbuzz, bestuurder [slachtoffer 3]
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal FO Verkeer d.d. 14 maart 2024, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Aanleiding onderzoekOp zondag 7 januari 2024 omstreeks 20:04 uur, had op de Provincialeweg N365, gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van [plaats] in de gemeente Stadskanaal een verkeersongeval plaatsgevonden.
BetrokkenenVoertuig 1: [gegevens auto]
Voertuig 2: lijnbus kenteken [gegevens auto]
WegsituatieWij zagen dat de Provincialeweg N365:
- bestond uit één rijbaan;
- op de plaats van het verkeersongeval een recht dan wel nagenoeg recht wegverloop had;
- aan beide zijden voorzien was van onderbroken kantstrepen.
BotspositieUit het schadebeeld kon blijken dat de [auto] met de voorzijde frontaal dan wel nagenoeg frontaal in botsing was gekomen met de voorzijde van de lijnbus.
BotsplaatsUit het verloop van de aangetroffen bandensporen, de krassporen, het splinterveld, de eindposities van de voertuigen en de camerabeelden uit de lijnbus kon blijken dat de aanrijding had plaats gevonden op het voor de lijnbus bestemde weggedeelte. Tevens kon aan de hand van vermelde sporen blijken dat de bestuurder van de [auto] op het moment van de botsing volledig, dan wel nagenoeg volledig, op het weggedeelte reed welke bestemd was voor het hem tegemoetkomende verkeer.
Interpretatie omgevingsfactorenWij zagen dat:
- het verloop van de weg, voorafgaand aan het verkeersongeval, niet van invloed kan zijn geweest op het ontstaan en de toedracht van het verkeersongeval;
- er geen noemenswaardige oneffenheden in het wegdek aanwezig waren die van invloed konden zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.
Lijkschouw ( [slachtoffer 1] )Op zaterdag 13 januari 2024 heeft in het Universitair Medisch Centrum de lijkschouw van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2004, plaatsgevonden. Van deze schouw is door genoemde arts een verslag betreffende een niet natuurlijke dood afgegeven.
Toedracht / Oorzaak / GevolgDe bestuurder van de [auto] personenauto reed over de Provincialeweg N365, komende uit de richting van [plaats] en rijdende in de richting van [plaats]. Op enig moment kwam de [auto] volledig, dan wel nagenoeg volledig, op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht. Daar kwam de [auto] , ter hoogte van hectometerpaal 22.9, met de voorzijde in botsing met de voorzijde van de tegemoetkomende lijnbus. De voertuigen kwamen met elkaar in botsing op het voor de lijnbus bestemde weggedeelte.
De [auto] bevond zich op het moment van de botsing volledig dan wel nagenoeg volledig op het weggedeelte bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. Als gevolg van de botsing liepen de bestuurder en de twee inzittenden van de [auto] (zwaar) lichamelijk letsel op. Eén van de inzittenden, [slachtoffer 1] geboren op [geboortedatum] 2004, overleed op 13 januari aan zijn verwondingen opgelopen bij het ongeval.
Op de veilig gestelde beelden afkomstig van de camera uit de lijnbus zagen wij dat de [auto] de lijnbus, op het voor de lijnbus bestemde weggedeelte, in een rechte dan wel nagenoeg rechte lijn naderde. Deze situatie bleef onveranderd tot op het moment van de botsing.
Wij hebben geen technische en/of tactische aanwijzingen gevonden waaruit zou kunnen blijken dat de bestuurder van de [auto] handelingen had verricht (noodremming/ uitwijkmanoeuvre) teneinde een botsing met de lijnbus te voorkomen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 16 januari 2024, opgenomen op pagina 143 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op 7 januari 2024 reed ik in een lijnbus van Qbuzz. Ik was onderweg tussen [plaats] en [plaats]. Ik reed in de richting van [plaats], iets voorbij [plaats]. Ik ben in aanrijding gekomen met een personenauto. Ik reed met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur. Ik zag een tegenligger op mijn weghelft komen. Vlak voor de aanrijding ben ik gaan remmen. Ik denk dat ik ten tijde van de aanrijding nog met een snelheid van 50 kilometer per uur reed. De volgende dag kon ik niets meer met mijn rechterarm en schouder. Ik had ook een wondje aan mijn beide knieën, rechts iets meer dan links. Ik zit nu, door de aanrijding, ziek thuis en sta onder behandeling van de fysio. Dit voor een periode van 4 tot 6 weken. Ik heb op dit moment pijn. Dit heb ik 24/7 en helemaal bij het slapen. Mentaal heb ik er ook last van.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 5 februari 2024, opgenomen op pagina 153 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op zondag 7 januari 2024 was ik in een auto met [slachtoffer 1] en [verdachte] en we gingen naar de [bedrijf]. We hebben een aanrijding met een bus gehad. Ik heb fracturen in beide armen. Door een bloeding in mijn milt ben ik pas na drie dagen geopereerd. Ik heb een klaplong en een flinke longkneuzing.
6. Een geneeskundige verklaring, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier, op 7 januari 2024 opgemaakt en ondertekend door dr. [naam] , chirurg voor zover inhoudend als haar verklaring:
Betreft: [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2007
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 7 januari 2024
A) Uitwendig waargenomen letsel:
- Is er sprake van uitwendig bloedverlies? Ja, gering.
B) Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja
- Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja
E) Overige van belang zijnde informatie: patiënt werd op 8 januari in de nacht acuut geopereerd (fixateur externe en wondsluiting open fractuur linkerarm) en op 10 januari opnieuw voor definitieve operatieve behandeling van de linker en rechter elleboog, momenteel is er nog zenuwuitval van de nervus ulnaris aan de linker elleboog.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Feitelijke toedracht
Op 7 januari 2024 reed verdachte als bestuurder van een personenauto over de N365 in de richting van [plaats], komende vanuit de richting van [plaats]. Bij hem in de auto zaten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Ter hoogte van [plaats] is verdachte frontaal gebotst op een lijnbus, die werd bestuurd door [slachtoffer 3] . [slachtoffer 1] is op 13 januari 2024 aan zijn verwondingen overleden. Ten gevolge van de botsing heeft [slachtoffer 2] onder meer breuken in zijn beide armen, een bloeding in de milt, een klaplong en longkneuzing opgelopen. Ook [slachtoffer 3] is gewond geraakt en heeft naar aanleiding van de fysieke en psychische gevolgen van het ongeval een tijd niet kunnen werken.
Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), en, zo ja, welke schuldgradatie het handelen van de verdachte oplevert. Ook dient de rechtbank te beantwoorden of het letsel van slachtoffer [slachtoffer 2] kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel.
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Beoordeling
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW geen sprake is, zodat de verdachte van dat deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte op enig moment op een overzichtelijke weg de controle over zijn voertuig is verloren en op de verkeerde weghelft is gaan rijden. Verdachte heeft verklaard dat hij zich de momenten voor de aanrijding niet weet te herinneren. Wel herinnert verdachte zich dat hij gedurende de rit vanaf de [bedrijf] in Stadskanaal (deze rit heeft een kwartier geduurd) continu afgeleid is geweest. Hij was bezig met een doekje dat bedoeld was om de lachgastank die [slachtoffer 1] op de bestuurdersstoel tussen zijn benen had staan de autobekleding niet te laten raken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het zeer aannemelijk dat verdachte ook vlak voor de aanrijding bezig was met genoemd doekje. Er is bovendien niet gebleken van enige andere omstandigheid die zou kunnen verklaren waarom verdachte op de andere weghelft is gaan rijden.
Gelet daarop en gelet op het feit dat de bestuurder van de lijnbus heeft verklaard dat hij, zodra hij zag dat er een tegenligger op zijn weghelft reed, is gaan remmen en al aanzienlijk vaart had geminderd toen de botsing plaatsvond en gelet op het feit dat uit het onderzoek blijkt dat verdachte überhaupt niet geremd heeft of enige uitwijkmanoeuvre heeft gedaan, komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een momentane onoplettendheid, maar dat verdachte zijn aandacht gedurende langere tijd niet bij de weg heeft gehad. De rechtbank komt op basis van deze omstandigheden tot de conclusie dat verdachte “aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend” heeft gereden, in de zin van artikel 6 WVW.
Het lichamelijk letsel dat [slachtoffer 2] ten gevolge van de aanrijding heeft opgelopen wordt door de rechtbank aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard en ernst van het letsel, het (acute) operatieve ingrijpen en de lange genezingsduur die over het algemeen met dergelijk letsel gepaard gaat.
De rechtbank komt tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat verdachte onder invloed van lachgas was toen het verkeersongeluk plaatsvond. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, zoals hierna onder de beoordeling van feit 2 wordt overwogen, weliswaar is gebleken dat verdachte op het terrein van de [bedrijf] lachgas heeft gebruikt, maar dat niet kan worden vastgesteld dat hij ten tijde van het ongeval nog onder invloed was daarvan. Op camerabeelden is waar te nemen dat verdachte om 19:28 uur lachgas inhaleert. 35 minuten later, om 20.03 uur, vindt het verkeersongeval plaats. Uit het onafhankelijk onderzoek naar recreatief lachgasgebruikblijkt dat het recreatieve gebruik van lachgas gepaard gaat met een intense roes, die na ongeveer 1 minuut nagenoeg is verdwenen. De resultaten van de prestaties op de psychomotorische computertaak suggereren echter de aanwezigheid van een residuele functionele beperking die lijkt aan te houden tot minstens 45 minuten na gebruik. Deze beperkingen lijken bescheiden in grootte, equivalent aan de beperkingen gezien bij een bloed alcoholconcentratie van <0.05% (de wettelijke limiet in Nederland). De resultaten van het onderzoek lijken te wijzen op het bestaan van een concentratie-effect relatie, wat inhoudt dat hogere concentraties lachgas in ademlucht of bloed gepaard gaan met een grotere impact op de rijvaardigheid. Daarbij is echter van belang dat de onderzoekers aanbevelen om vervolgonderzoek te doen om duidelijk in kaart te brengen welke aspecten van rijvaardigheid in welke mate negatief beïnvloed worden en om tot een betere inschatting van de impact op ongevalsrisico te komen. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de concentratie lachgas niet is vastgesteld. Gelet daarop en gelet op het feit dat de precieze effecten van het lachgasgebruik niet kunnen worden vastgesteld en eveneens geen grenswaarde is bepaald voor het gebruik van lachgas bij autobestuurders, zal de rechtbank verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. De door de officier van justitie aangehaalde omstandigheden, ook niet in onderlinge samenhang bezien, nopen niet tot een ander oordeel.
T.a.v. feit 2:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 16 mei 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 7 januari 2024 heb ik lachgas gebruikt in de Mc Drive bij de [bedrijf] in Stadskanaal, zoals ook te zien is op de camerabeelden van de [bedrijf]. Ik heb meerdere malen lachgas uit een ballon geïnhaleerd. Het lachgas kwam niet lekker binnen, het voelde raar. Daarna ben ik naar de parkeerplaats op het terrein van de [bedrijf] gereden. Ik wist dat lachgas de rijvaardigheid kon verminderen en dat ik na het gebruik van het lachgas niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2024, opgenomen op pagina 127 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Uit onderzoek is gebleken dat een personenauto van het merk [gegevens auto] , die later die avond betrokken is geraakt bij een ernstig verkeersongeval, tussen 18:00 uur en 20:00 uur bij de [bedrijf] te Stadskanaal is geweest.
Camera DRIVE KASSA:
19:11.52 uur: Voornoemde [auto] rijdt de [bedrijf] weer in.
19:13.16 uur. De manspersoon die ik, door hem te vergelijken met de foto uit BVI-ID, herken als [slachtoffer 1] , zit op de bijrijdersstoel en heeft een cilinder tussen zijn benen en vult hiermee een zwarte ballon.
Camera Kassa [bedrijf]:
19:13.32 uur: Voornoemde [auto] stopt voor raam 1. [verdachte] zit achter het stuur. Door de voorruit is te zien dat er een glimmend voorwerp, naar alle waarschijnlijkheid een gevulde ballon, door de bijrijder wordt vastgehouden.
19:28.38 uur: Voornoemde [auto] stopt weer voor raam 1. Te zien is dat de bestuurder, [verdachte] , een zwarte ballon aan zijn lippen zet en hiervan inhaleert. Op het moment dat [verdachte] wegrijdt zet hij de ballon weer aan zijn lippen en inhaleert nogmaals.
De rechtbank komt op grond van de voornoemde bewijsmiddelen tot het oordeel dat verdachte op het terrein van de [bedrijf] onder invloed van lachgas een auto heeft bestuurd, terwijl hij wist dat het gebruik van lachgas de rijvaardigheid kon verminderen. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting is gebleken dat verdachte meerdere malen zijn lippen aan een met lachgas gevulde ballon heeft gezet en herhaaldelijk lachgas heeft geïnhaleerd. Daarbij heeft verdachte aangegeven dat het lachgas raar voelde en niet lekker binnen kwam. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte direct na het inhaleren van het lachgas wegrijdt met de auto. Zoals hiervoor reeds overwogen, blijkt uit het onafhankelijk onderzoek naar recreatief lachgasgebruik dat het recreatieve gebruik van lachgas gepaard gaat met een intense roes, gekenmerkt door een duidelijke staat van dissociatie. Hierdoor wordt de gebruiker niet in staat geacht om op veilige wijze deel te nemen aan het verkeer. Deze roes is na ongeveer 1 minuut nagenoeg verdwenen. De rechtbank maakt daaruit op dat verdachte direct na het inhaleren van het lachgas, terwijl hij bestuurder was van een personenauto, onder invloed was van lachgas. Dat verdachte reed op het terrein van de [bedrijf] doet niet af aan het oordeel dat verdachte als bestuurder moet worden aangemerkt, nog daargelaten dat verdachte ook op het terrein van de [bedrijf] actieve betrokkenheid had aan het verkeer en daaraan heeft deelgenomen.
T.a.v. feit 3:
De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2025;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Aanrijding misdrijf, inclusief bijlagen, d.d. 15 mei 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een relaas van verbalisant;
3. een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut betreffende een chemisch identificatieonderzoek aan twee gascilinders naar aanleiding van een incident op 7 januari 2024 in [plaats] d.d. 6 mei 2024, opgemaakt en ondertekend door dr. [naam] , zaaknummer 2024.04.02.086, opgenomen op pagina 102 e.v. van voornoemd dossier.