Deze uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Midden-Drenthe om de woning met garage van verzoekers te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekers zijn het niet eens met dit besluit en vroegen om schorsing van de sluiting.
De burgemeester had op 7 november 2024 een last onder bestuursdwang opgelegd, met sluiting vanaf 13 november 2024 voor zes maanden. Na bezwaar handhaafde de burgemeester het besluit met een aanvullende motivering. Verzoekers stelden beroep in en vroegen opnieuw een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat hoewel de bevoegdheid van de burgemeester niet ter discussie staat, er twijfel bestaat over de rechtmatigheid van het besluit vanwege onvoldoende motivering, die zich beperkt tot het gevaar van recidive. Bij belangenafweging weegt het belang van verzoekers om in hun woning te blijven zwaarder dan het belang van de burgemeester bij sluiting, mede omdat geen concrete openbare ordeproblemen zijn gebleken.
De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen, het besluit geschorst tot uitspraak op het beroep. Tevens wordt de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers.