Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. M. Brinksma, rechter in een strafzaak, op grond van vermeende schijn van partijdigheid door een voorzittersbeslissing van 21 mei 2025.
De wrakingskamer beoordeelde dat een rechter alleen gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid, waarvoor zware aanwijzingen vereist zijn. De rechter gaf aan dat de voorzittersbeslissing een procesbeslissing betreft zonder eindoordeel over de hoofdzaak.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek kennelijk ongegrond is omdat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden aanvoerde die de schijn van vooringenomenheid ondersteunen. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen zonder mondelinge behandeling.
De beslissing werd op 19 juni 2025 in openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.