ECLI:NL:RBNNE:2025:2877

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
7072 5423 0000 0379
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 WWETGCVerordening (EU) 2018/1805
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging van Belgische verbeurdverklaring wegens wanbedrijf

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 2 juli 2025 het beroep van veroordeelde tegen de beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische verbeurdverklaring van €76.475, opgelegd door de Correctionele rechtbank Turnhout op 20 maart 2015.

Veroordeelde stelde dat het vonnis volgens Belgisch recht op 21 april 2020 was verjaard, mede gebaseerd op informatie van zijn Belgische advocaat. De officier van justitie betoogde dat de verjaringstermijn in België tien jaar bedraagt voor wanbedrijf en dat deze termijn opnieuw begon te lopen bij de opening van een strafuitvoeringsonderzoek vóór het verstrijken van de termijn.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel vereist dat zij uitgaat van de juistheid van de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie, ongeacht eerdere adviezen van een advocaat. Gezien de wetswijziging in België per 18 april 2014 geldt een tienjarige verjaringstermijn voor wanbedrijf, en omdat het vonnis na deze datum is gewezen, is de verjaringstermijn nog niet verstreken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de erkenning en tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring.

Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische verbeurdverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
raadkamernummer 24-029587
cjib-zaaknummer 7072 5423 0000 0379
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beroep op grond van artikel 39 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde,
raadsvrouw mr. F.J. Hoogenraad, advocaat te Breda.

Procesverloop

Op 2 december 2024 is bij akte beroep ingesteld tegen de op 22 augustus 2024 door de officier van justitie genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op
20 maart 2015 door de Correctionele rechtbank Turnhout opgelegde beslissing tot confiscatie (verbeurdverklaring) van een bedrag van 76.475,00.
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet.
De mondelinge behandeling heeft op 18 juni 2025 plaatsgevonden. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. F.J. Hoogenraad. Het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.
Motivering
1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 39 van Pro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. Het beroep is tijdig en juist ingesteld.
3. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getreden Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 van Pro de WWETGC.
4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 van Pro de WWETGC gelden:
de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
5. De raadsvrouw heeft namens veroordeelde gesteld dat het in België gewezen vonnis naar Belgisch recht is verjaard op 21 april 2020. De raadsvrouw heeft ter zitting aangevoerd dat de Belgische advocaat van veroordeelde toentertijd tegen hem gezegd heeft dat de veroordeling na vijf jaar verjaard zou zijn.
6. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verjaringstermijn ten tijde van het wijzen van het vonnis in België tien jaar bedroeg omdat er is veroordeeld ter zake een wanbedrijf. Voor afloop van deze termijn van tien jaar is in België een strafuitvoeringsonderzoek gestart waardoor er opnieuw een termijn van tien jaar is gaan lopen. Er is derhalve geen sprake van verjaring naar Belgisch recht en ook niet naar Nederlands recht.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. In het certificaat is ten aanzien van de verjaringstermijn het volgende opgenomen:
"De verjaring voor wat betreft de verbeurdverklaring treedt in principe in 10 jaar na het vonnis, namelijk op 20 maart 2025. Deze tienjarige termijn begint evenwel opnieuw te lopen vanaf de opening van het strafuitvoeringsonderzoek, namelijk op 13 augustus 2024.
De verbeurdverklaring verjaart bijgevolg in principe op 13 augustus 2034."
9. Uit het interstatelijk vertrouwensbeginsel vloeit voort dat uitgegaan moet worden van de juistheid van de door de buitenlandse autoriteit verstrekte informatie. Dat een (Belgische) advocaat veroordeelde in het verleden andere informatie heeft gegeven, maakt dit niet anders.
10. Daar komt bij dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat in België, sinds een wetswijziging die op 18 april 2014 in werking is getreden, een verjaringstermijn van tien jaar geldt bij een veroordeling wegens wanbedrijf. Het onderhavige vonnis is na deze datum gewezen en de veroordeling ziet op een wanbedrijf.
11. Op grond van het vorenstaande verwerpt de rechtbank de stelling van de verdediging dat de onderhavige zaak naar het recht van België verjaard zou zijn voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde confiscatie (verbeurdverklaring).
12. Nu de rechtbank, ook ambtshalve, geen weigeringsgronden aanwezig acht, zal zij het ingestelde beroep ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 2 juli 2025 door mr. J.G.W. Lootsma - Oude Nijeweme, voorzitter, mr. K. Post en mr. G.C. Koelman, rechters,
in tegenwoordigheid van T.L. Komrij, griffier.
Mr. Koelman is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.