De rechtbank Noord-Nederland heeft op 18 juli 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van het handelen in cocaïne en heroïne vanuit een woning in Leeuwarden en het bezit van een handelshoeveelheid cocaïne.
De bewezenverklaring betreft de periode van 23 juli 2024 tot en met 22 januari 2025, waarin de verdachte meermalen cocaïne en heroïne heeft verkocht en afgeleverd. Daarnaast is vastgesteld dat hij op 22 januari 2025 ongeveer 84,57 gram cocaïne in zijn machtssfeer had, aangetroffen in twee woningen.
De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van getuigen, het proces-verbaal van bevindingen, deskundigenrapporten van het Nederlands Forensisch Instituut en de bekentenis van de verdachte. De handel in harddrugs werd als ernstig beschouwd vanwege de maatschappelijke impact en verslavingsgevaar. De verdachte ontkende het bezit van de cocaïne in één woning, maar de rechtbank achtte dit bewezen omdat het niet vereist is dat de drugs aan hem toebehoren, maar dat ze zich in zijn machtssfeer bevinden.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest. De straf is lager dan de eis van 12 maanden vanwege de verkorte bewezenverklaringperiode. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een hoog recidiverisico en financiële problemen, zijn meegewogen. Er werd geen voorwaardelijk strafdeel opgelegd.