ECLI:NL:RBNNE:2025:2936

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
25/2433
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens te laat bezwaar en gericht tegen algemeen verbindend voorschrift

Verzoeker heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta op 4 oktober 2024 verzocht om handhavend op te treden tegen een schuur van zijn buurman die deels op zijn terrein staat. Het college wees dit verzoek bij besluit van 5 februari 2025 af. Verzoeker stelde op 11 juli 2025 beroep in bij de rechtbank en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker geen bezwaar heeft gemaakt bij het college, wat een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voordat beroep kan worden ingesteld. Het ingediende beroep is daarom doorgestuurd naar het college. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond omdat het bezwaar te laat is ingediend en gericht is tegen een algemeen verbindend voorschrift, waartegen bezwaar niet mogelijk is.

Daarnaast blijkt het te gaan om een voornemen tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), wat het bezwaar verder onbevoegd maakt. Om deze redenen wijst de voorzieningenrechter het verzoek af zonder inhoudelijke beoordeling en zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens te laat ingediend bezwaar en bezwaar tegen algemeen verbindend voorschrift.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2433

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Totstandkoming van het besluit

2. Verzoeker heeft het college op 4 oktober 2024 verzocht om handhavend op te treden in verband met een schuur van zijn buurman die voor een deel op zijn terrein staat.
2.1.
Bij besluit van 5 februari 2025 heeft het college het verzoek afgewezen.
2.2.
Verzoeker heeft op 11 juli 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van het college. Daarnaast heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.3.
Het stelsel van de Awb gaat er van uit dat alvorens beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld, eerst bezwaar wordt gemaakt bij het bestuursorgaan. Omdat verzoeker nog geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 februari 2025, heeft de voorzieningenrechter het door verzoeker ingediende beroep op grond van het bepaalde in artikel 6:15 van Pro de Awb doorgestuurd naar het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een voorlopige voorziening kan worden gevraagd in het geval beroep is ingesteld bij de rechtbank, dan wel bezwaar is gemaakt bij het orgaan dat het besluit heeft genomen.
3.1.
Het beroep dat verzoeker heeft ingediend, beschouwt de voorzieningenrechter als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 5 februari 2025, zodat aan het hierboven genoemde vereiste is voldaan.
3.2.
De voorzieningenrechter ziet in dit geval geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Het bezwaar is ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn ingediend. Het kan zijn dat het college vaststelt dat er een goede reden is voor de termijnoverschrijding, maar vooralsnog is de voorzieningenrechter niet gebleken dat van een dergelijke reden sprake is. Daarnaast ageert verzoeker tegen een algemeen verbindend voorschrift. Op grond van het bepaalde in artikel 8:3 van Pro de Awb is bezwaar tegen een algemeen verbindend voorschrift, zoals bijvoorbeeld een Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV), niet mogelijk. Bovendien gaat het, zoals verzoeker heeft aangegeven, blijkbaar nog slechts om een voornemen tot wijziging van de APV.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet verder inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.