Op 22 juli 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van diefstal met geweld dan wel afpersing en medeplichtigheid daaraan op 2 november 2024 in Anloo. Verdachte werd bijgestaan door een advocaat en het Openbaar Ministerie eiste een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking had met medeverdachten bij de afpersing en diefstal met geweld. Verdachte zat tijdens het incident in de auto en er was geen bewijs dat hij opzet had op het misdrijf of betrokken was bij de voorbereiding of uitvoering daarvan. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.
Daarnaast was er een vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer, die de rechtbank niet ontvankelijk verklaarde omdat het feit waarop de schadeclaim was gebaseerd niet bewezen kon worden. Tot slot wees de rechtbank de vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf af, omdat verdachte niet schuldig werd bevonden aan het nieuwe strafbare feit.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, waarbij één rechter niet kon ondertekenen. De rechtbank bepaalde dat het slachtoffer zijn eigen proceskosten draagt en dat de schadeclaim bij de burgerlijke rechter moet worden ingediend.