Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het fietsen op 19 april 2023. Zij stelde een draagkrachtverweer in vanwege haar cerebrale visuele stoornis, waardoor zij de boete niet kon betalen. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
Op de zitting op 8 juli 2025 werd het beroep behandeld. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs leverde dat betrokkene de telefoon vasthield, ook al was het gebruik ervan niet noodzakelijk. De persoonlijke omstandigheden van betrokkene gaven echter aanleiding om de zekerheidstelling op nihil te stellen.
Daarnaast werden de redelijke termijn van berechting en de hoorplicht geschonden, omdat meer dan twee jaar was verstreken en een verzoek om hoorzitting ten onrechte niet werd erkend. Daarom matigde de kantonrechter de boete eerst met 25% en vervolgens nogmaals met 25%, waardoor het boetebedrag werd verlaagd tot € 93,37. De beslissing van de officier van justitie werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.