ECLI:NL:RBNNE:2025:3013
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens vondst wapen en overlast
Op 6 november 2024 werd in de woning van verzoekster een vuurwapen en munitie aangetroffen, waarna de burgemeester voornemens was de woning te sluiten. De sluiting werd aanvankelijk uitgesteld vanwege detentie van de betrokkene die het wapen bezat. Na diens vrijlating in juni 2025 nam de overlast toe, waardoor de burgemeester de sluiting alsnog oplegde voor drie maanden.
Verzoekster betwistte de bevoegdheid en noodzaak van de sluiting, onder meer omdat het wapen lange tijd niet in de woning aanwezig zou zijn geweest en zij zelf niets van het wapen wist. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was op grond van artikel 174a Gemeentewet en dat de noodzaak herleefde na de vrijlating van de betrokkene, mede gezien diens antecedenten en criminele netwerk.
De rechter achtte de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig, waarbij het belang van de openbare orde zwaarder woog dan de belangen van verzoekster. Verzoekster had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een bijzondere binding met de woning heeft of dat de sluiting onevenredig is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De woning moet vanaf 30 juli 2025 voor drie maanden gesloten worden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wordt afgewezen en de woning moet drie maanden gesloten blijven.