De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning voor het vellen van twee bomen en het verwijderen van 1.025 m2 houtopstand aan de Noordzijde van het Eemskanaal bij het Betonbos in Groningen. Verzoekers betwisten de vergunning en voeren aan dat de belangenafweging onvoldoende is gemotiveerd, met name ten aanzien van de (potentieel) monumentale bomen 92 en 93.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een dringende reden vanwege de start van werkzaamheden in augustus 2025. Het college heeft de vergunning verleend op basis van het criterium dringende reden binnen het toetsingskader van de Omgevingswet en de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen (APVG). De Bomen Effect Analyse (BEA) maakt onderdeel uit van het besluit.
De rechter stelt vast dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het belang van behoud van de monumentale bomen is betrokken in de belangenafweging. Er is geen duidelijk onderzoek naar alternatieven voor behoud van bomen 92 en 93, zoals verplaatsing van de kade-uitstulping. Voor het overige houtopstand is de belangenafweging wel voldoende onderbouwd.
Daarnaast zijn de belangen van omwonenden niet adequaat betrokken, wat een motiveringsgebrek oplevert dat in bezwaar kan worden hersteld. De compensatie en herplantplicht voldoen aan de Beleidsregels. De voorlopige voorziening leidt tot schorsing van het vellen van bomen 92 en 93 tot zes weken na beslissing op bezwaar, terwijl het verwijderen van overige houtopstand doorgang mag vinden.