ECLI:NL:RBNNE:2025:318
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit handel in cocaïne
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 30 januari 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen veroordeelde, waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel indiende. De vordering betrof een bedrag van €23.283,57, gebaseerd op handel in cocaïne en andere strafbare feiten.
Tijdens de zitting van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het standpunt van de verdediging gehoord, die onder meer betoogde dat de pleegperiode ingekort moest worden en dat bepaalde verklaringen als bewijs moesten worden uitgesloten. Tevens werd aangevoerd dat het rapport waarop de vordering was gebaseerd onjuiste aannames bevatte en dat veroordeelde geen draagkracht heeft.
De rechtbank oordeelde dat de bewijsmiddelen, waaronder verklaringen en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, voldoende waren om het bedrag van €23.283,57 vast te stellen. De rechtbank nam het rapport volledig over, waarbij zij rekening hield met een zo gunstig mogelijke berekening voor de veroordeelde. Het draagkrachtverweer werd verworpen omdat niet aannemelijk was dat veroordeelde in de toekomst niet zou kunnen betalen.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op tot betaling van het genoemde bedrag aan de staat en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 151 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer te Groningen.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €23.283,57 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.