ECLI:NL:RBNNE:2025:318

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 januari 2025
Publicatiedatum
30 januari 2025
Zaaknummer
18-085608-24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit handel in cocaïne

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 30 januari 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen veroordeelde, waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel indiende. De vordering betrof een bedrag van €23.283,57, gebaseerd op handel in cocaïne en andere strafbare feiten.

Tijdens de zitting van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het standpunt van de verdediging gehoord, die onder meer betoogde dat de pleegperiode ingekort moest worden en dat bepaalde verklaringen als bewijs moesten worden uitgesloten. Tevens werd aangevoerd dat het rapport waarop de vordering was gebaseerd onjuiste aannames bevatte en dat veroordeelde geen draagkracht heeft.

De rechtbank oordeelde dat de bewijsmiddelen, waaronder verklaringen en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, voldoende waren om het bedrag van €23.283,57 vast te stellen. De rechtbank nam het rapport volledig over, waarbij zij rekening hield met een zo gunstig mogelijke berekening voor de veroordeelde. Het draagkrachtverweer werd verworpen omdat niet aannemelijk was dat veroordeelde in de toekomst niet zou kunnen betalen.

De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op tot betaling van het genoemde bedrag aan de staat en bepaalde de maximale duur van gijzeling op 151 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer te Groningen.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €23.283,57 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.085608.24
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 30 januari 2025 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 2 oktober 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 23.283,57 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.085608.24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 16 januari 2025.

Beoordeling

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft tot toewijzing van de vordering gerequireerd, onder verwijzing naar het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft - net als met betrekking tot de hoofdzaak - aangevoerd dat de pleegperiode dient te worden ingekort en dat de verklaringen van [naam] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen dient te betekenen dat de vordering wordt afgewezen dan wel wordt gematigd. Voorts heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op (mogelijk) onjuiste aannames en dat verdachte geen draagkracht heeft.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 30 januari 2025 in de zaak met
parketnummer 18.085608.24 veroordeeld ter zake onder meer het handelen in cocaïne (medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod). Aan deze veroordeling lagen diverse bewijsmiddelen ten grondslag, waaronder de verklaring van [naam] . De ten laste gelegde periode van 1 juli 2023 tot en met 23 april 2024 is bewezenverklaard, hetgeen in het vonnis is gemotiveerd en waarnaar de rechtbank verwijst.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van dit door hem gepleegde strafbare feit en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, te weten handel in cocaïne vóór de bewezenverklaarde periode (vanaf 2021).
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, de in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel1 (hierna: het rapport) opgenomen feiten en bedragen. De rechtbank constateert dat in het rapport telkens is uitgegaan van een voor verdachte zo gunstig mogelijk(e) situatie/bedrag. Zo zijn de cash-betalingen niet meegenomen en is enkel gerekend met girale inkomsten (Tikkies) en zijn alle betalingen aan benzinepompen afgetrokken als kostenpost, ondanks dat het ook om kleine bedragen ging - die mogelijk niet zagen op brandstof maar op voedingsmiddelen of rookwaar - en ondanks dat de brandstof buiten twijfel ook werd gebruikt voor ritten die niet gerelateerd waren aan de handel in cocaïne.
De rechtbank zal in het voordeel van verdachte de in dit rapport opgenomen berekening dan ook volledig overnemen.
Dit levert de volgende eindberekening op:
Netto opbrengst 59.543,01
Kosten 36.259,44 -
Wederrechtelijk verkregen voordeel 23.283,57
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 23.283,57 voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.
Op de voet van het bepaalde in artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering, komt de draagkracht in beginsel eerst in de executiefase aan de orde. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat veroordeelde ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen betalen, kan de rechter gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid. Nu niet aannemelijk is geworden dat ten aanzien van veroordeelde sprake is van een dergelijke situatie, verwerpt de rechtbank het gevoerde draagkrachtverweer.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 23.283,57.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 23.283,57 (zegge: drieëntwintigduizendtweehonderddrieëntachtig euro en zevenenvijftig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 151 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en
mr. S.T. Kooistra, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 januari 2025.
Mrs. Dölle en Kooistra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 29 augustus 2024, opgenomen op pagina 61 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024014634 d.d. 9 september 2024