Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
- mr. H.W. de Jong, de advocaat van verzoekster;
- [naam] , psychiater en tevens de zorgverantwoordelijke.
2.De vaststaande feiten
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van
3.Het verzoek en de klachten
4.Juridisch kader
5.Positie uitspraak klachtencommissie
6.Klacht 1: verplichte medicatie
7.Klacht 2: diagnose
verzoeksteraan dat zij de gestelde diagnose betwist. Zij is van mening dat er bij haar geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld. Verzoekster geeft aan te kampen met spanningsklachten. In haar optiek gaat het om burn-outklachten en is er geen sprake van een psychotische stoornis. Recent is er een second opinion verricht, waarbij – aldus verzoekster – eveneens is geconcludeerd dat er geen sprake is van een hypomanie. Overigens geeft verzoekster aan zich ook niet volledig te kunnen vinden in de bevindingen van deze second opinion, uitgevoerd door drs. [naam] .
rechtbankoverweegt dat er een zorgmachtiging is afgegeven op 28 april 2025. In deze beslissing is de psychische stoornis door de rechtbank vastgesteld. Artikel 10:3 Wvggz geeft de klachtgronden weer. Op grond van artikel 10:3 Wvggz kan verzoekster niet klagen over de vaststelling door de rechtbank dat sprake is van een psychische stoornis. Wanneer verzoekster het niet eens is met deze vaststelling, dient verzoekster daartegen in cassatie te gaan bij de Hoge Raad der Nederlanden. Verzoekster heeft geen cassatie ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat de klacht niet-ontvankelijk is ex artikel 10:10 sub b Wvggz.
8.Klacht 3: wilsbekwaamheid
rechtbankis het volgende van oordeel. Uit de beslissing van de zorgverantwoordelijke blijkt niet dat het in artikel 8:9 lid 4. sub b Wvggz genoemde ernstig nadeel zich voor doet. Daarom komt men toe aan de toets of verzoekster tot een redelijke waardering van zijn of haar belangen in staat was op het moment dat de zorgverantwoordelijke de beslissing ex artikel 8:9 Wvggz genomen heeft. Daarbij gaat het in onderhavige situatie niet om een algemene toetst of verzoekster geheel wilsbekwaam is, maar slechts of zij in deze wilsbekwaam is ten aanzien van de medicamenteuze behandeling. Daar richt de beslissing van de zorgverantwoordelijke zich immers op. De rechtbank moet controleren of de zorgverantwoordelijke de wilsbekwaamheid getoetst heeft gemaakt heeft, en of de zorgverantwoordelijke in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.