De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 25 juni 2025 het verzoek van de gecertificeerde instelling Stichting Nidos en de Raad voor de Kinderbescherming met betrekking tot de voogdij over een minderjarig kind geboren op 30 mei 2025. De moeder van het kind is zelf minderjarig en verblijft momenteel met het kind in een moeder-kind-huis. Nidos verzocht om voogdij over het kind, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming vroeg om voorlopige voogdij toe te wijzen aan Nidos.
De kinderrechter stelde vast dat er geen gezag wordt uitgeoefend over het kind omdat de moeder vanwege haar minderjarigheid niet bevoegd is het gezag uit te oefenen. Gezien de belangen van het kind en het feit dat de moeder in november 2025 meerderjarig wordt, achtte de kinderrechter voorlopige voogdij passender dan definitieve voogdij. De kinderrechter wees het verzoek van Nidos tot voogdij af omdat dit op dit moment te verstrekkend is en gaf de Raad opdracht om onderzoek te doen naar de mogelijkheid van meerderjarigheid van de moeder.
De rechtbank belastte Nidos met de voorlopige voogdij over het kind, waarbij deze maatregel na drie maanden vervalt tenzij een voorziening in het gezag wordt aangevraagd. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt. De moeder stemde in met een voogdijmaatregel en gaf aan dat de vader niet betrokken is bij het kind.