Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van [eiser 2] (met producties);
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
2.De feiten
Btw. Wil vandaag dus wel wat geld overmaken naar mijn broer (…)”,waarop [eiser 2] reageert met:
“Nou ik vertrouw je volledig wat dit betreft. Dus doe maar.”
op als verhuurder in het kader van de huurovereenkomst.
3.De vordering van [eiser 1]
4.De vordering van [eiser 2]
5.De beoordeling
“de vennoot aan wie een van de hiervoor vermelde feiten kan worden toegerekend, wordt geacht uit de vennootschap te zijn getreden”. Artikel 15 lid 1 van Pro de vof-akte bepaalt dat, bij ontbinding van de vennootschap om een andere reden dan het faillissement van een vennoot, het recht op voortzetting toekomt aan de vennoot van wiens zijde niet de oorzaak van de ontbinding is opgekomen, dan wel aan degene die het verzoek tot ontbinding als bedoeld in artikel 13 sub h van Pro de vof-akte heeft gedaan. Voorwaarde daarvoor is dat deze vennoot zijn voornemen daartoe binnen twee maanden na het eindigen van de vennootschap per aangetekende brief kenbaar maakt aan de andere vennoot.
“Aangezienwenu de constructie met betrekking tot de huur van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] gaan veranderen zal er nieuw huurcontract moeten komen aangezien die verandering invloed heeft op de huurprijs(onderstreping kantonrechter) (productie 4 bij de conclusie van [eiser 2] ). Dat [eiser 1] naar eigen zeggen alleen in het belang van de vennootschap heeft ingestemd met de gewijzigde onderhuurconstructie doet aan die instemming niets af.
“Btw. Wil vandaag dus wel wat geld overmaken naar mijn broer (…)”,waarop [eiser 2] reageert met:
“Nou ik vertrouw je volledig wat dit betreft. Dus doe maar.”[eiser 1] heeft aangevoerd dat partijen nadien hebben besproken dat de lening van zijn broer volledig zou worden afgelost. Nu [eiser 2] dit niet heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van deze stelling, hetgeen betekent dat ervan uit wordt gegaan dat beide vennoten met de aflossing hebben ingestemd. Deze beslissing kan achteraf dus niet eenzijdig aan [eiser 1] worden toegerekend, enkel omdat die beslissing anders uitpakt dan verwacht. Dat [eiser 2] stelt zich onvoldoende te hebben gerealiseerd welke gevolgen de aflossing zou kunnen hebben voor de vennootschap en dat hij daarbij heeft vertrouwd op [eiser 1] , maakt dit niet anders. Dit komt voor eigen rekening en risico van [eiser 2] en rechtvaardigt niet de conclusie dat [eiser 1] in dit verband een verwijt gemaakt kan worden dat kwalificeert als een gewichtige reden.