Veroordeelde stelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische beslissing tot confiscatie van een bedrag van €92.250, opgelegd door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen. Hij voerde aan dat hij niet rechtsgeldig was gedagvaard voor de zitting waarin het verzet tegen het vonnis werd behandeld, en dat hem de datum van de zitting niet was medegedeeld.
De officier van justitie betoogde dat het beroep op de weigeringsgrond van artikel 24a WWETGC niet opging, omdat de veroordeelde anderszins officieel in kennis was gesteld van de zitting, zoals vermeld in het confiscatiecertificaat. De rechtbank toetste of de officier van justitie in redelijkheid tot erkenning kon overgaan, zonder in het buitenlandse proces te treden.
De rechtbank concludeerde dat uit de stukken blijkt dat veroordeelde middels een deurwaarder de zittingsdatum zelf heeft bepaald en aangezegd aan de Procureur des Konings, wat bevestigt dat hij op ondubbelzinnige wijze in kennis was gesteld. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de erkenning van de confiscatiebeslissing bevestigd.