Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:3960

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
C/18/245073 / KG RK 25/171
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening

De meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland behandelde een wrakingsverzoek van een partij tegen mr. S. van Gessel, rechter in een civiele procedure over de aankoop van een tweedehands auto. De verzoeker stelde dat de rechter de schijn van partijdigheid had gewekt door onjuiste weergave van zijn standpunten in een tussenvonnis.

De rechter ontkende partijdigheid en verwees naar het tussenvonnis van 4 maart 2025 waarin werd aangegeven dat de vraag over non-conformiteit nog beantwoord moest worden. Het verzoek om een herstelvonnis werd door de rechter afgewezen in een tussenvonnis van 27 mei 2025.

De rechtbank overwoog dat het wrakingsverzoek op grond van artikel 36 Rv Pro en artikel 6 EVRM Pro tijdig moet worden ingediend nadat de feiten bekend zijn geworden. Aangezien het verzoek pas twee weken na verzending van het tussenvonnis werd ingediend, was het te laat. Zonder bijzondere omstandigheden werd het verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaard en de procedure werd voortgezet zoals die was.

De beslissing werd gegeven door de wrakingskamer bestaande uit M. Brinksma, W.S. Sikkema en I. Zetstra op 16 juli 2025. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen wegens te late indiening; verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
Zaaknummer: C/18/245073 / KG RK 25/171
Beslissing van 16 juli 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde mr. J. Swartjes,
hierna te noemen: de verzoeker
strekkende tot de wraking van
mr. S. van Gessel,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 11 juni 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 3 juli 2025;
- de schriftelijke aanvulling op de reactie van de rechter van 11 juli 2025;
- de schriftelijke reactie namens de verzoeker op de aanvulling van de rechter van 15 juli 2025.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. S. van Gessel, kantonrechter, die is belast met de behandeling van de civiele procedure met zaaknummer 10440118 CV EXPL 23-1378, kort gezegd de procedure rondom de aankoop van een tweedehands BMW. In voornoemde procedure is de verzoeker de gedaagde partij en [eisende partij] de eisende partij.
2.2
Namens de verzoeker is blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek en de schriftelijke reactie op de aanvulling van de rechter van 15 juli 2025, kort samengevat, aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De rechter heeft woorden in de mond van de verzoeker gelegd en is niet bereid deze terug te nemen. Door de rechter is in het tussenvonnis van 4 maart 2025 opgeschreven dat zowel de verzoeker als de eisende partij hebben aangegeven dat een lekke koppakking betekent dat de auto niet meer voldoet aan de overeenkomst. De rechter heeft genoteerd dat de verzoeker is overgegaan tot een erkenning van non-conformiteit, terwijl dit tijdens de mondelinge behandeling niet door de verzoeker is bevestigd. De verzoeker heeft middels een akte uitlating vonnis verzocht om deze fout te herstellen, maar de rechter was daartoe niet bereid.

3.Het standpunt van de rechter

3.1
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mail van 3 juli 2025.
3.2
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van enige (schijn van) partijdigheid aan haar zijde. Daartoe heeft de rechter het volgende aangevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de verzoeker en de gedaagde partij bevestigd dat een lekke koppakking op zichzelf genomen betekent dat de auto niet voldoet aan de overeenkomst. Dat betreft echter nog geen erkenning van non-conformiteit bij aflevering, zoals namens de verzoeker is gesteld. Bovendien is in het tussenvonnis van 4 maart 2025 aangegeven dat die vraag nog beantwoord moet worden. Teneinde die vraag te kunnen beantwoorden is in voornoemd tussenvonnis aan de eisende partij een bewijsopdracht gegeven. Ook is aangegeven dat indien vast komt te staan dat de verzoeker in verzuim is geraakt, hij in de gelegenheid zal worden gesteld om bewijs te leveren dat de auto bij aflevering wel aan de overeenkomst heeft beantwoord en dat het gebrek zich na de aflevering heeft voorgedaan.
3.3
Bij e-mail van 11 juli 2025 heeft de rechter een aanvulling gegeven op haar eerdere reactie. Uit die aanvulling blijkt dat de verzoeker bij akte van 18 maart 2025 heeft verzocht om een herstelvonnis. De rechter heeft dat verzoek afgewezen bij tussenvonnis van 27 mei 2025. Dat tussenvonnis is, blijkens de poststempel van de griffie van de rechtbank, op dezelfde dag aan de partijen verzonden.

4.De beoordeling

4.1
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 37, eerste lid, Rv wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht. Ook wordt beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.
4.3
Uit het verzoekschrift is gebleken dat de grond die namens de verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd, betrekking heeft op het tussenvonnis van 27 mei 2025 waarin de rechter het verzoek om een herstelvonnis heeft afgewezen. Uit de reactie van de rechter blijkt dat het tussenvonnis op dezelfde dag, te weten 27 mei 2025, aan de verzoeker is verzonden. Dat betekent dat op 27 mei 2025 de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De verzoeker heeft vervolgens gewacht tot 11 juni 2025 met het indienen van zijn wrakingsverzoek. Dat is twee weken later. De rechtbank is van oordeel dat de verzoeker daarmee te laat is met het indienen van het wrakingsverzoek. Van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop tussen enerzijds de datum van het tussenvonnis en het toezenden daarvan en anderzijds de datum van het indienen van het wrakingsverzoek zouden kunnen rechtvaardigen, is de rechtbank niet gebleken.
4.4
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen aanleiding. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gelet op het vorenstaande niet toegekomen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
5.2
bepaalt dat de procedure met zaaknummer 10440118 CV EXPL 23-1378 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
5.3
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- de verzoeker;
- de gewraakte rechter; mr. S. van Gessel;
- de betrokken partij(en).
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. I. Zetstra, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.A. Gaastra, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2025.
- de griffier - de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.