ECLI:NL:RBNNE:2025:4072

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
7 oktober 2025
Zaaknummer
LEE 25/1038
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rechtsherstel voor discriminatie bij arbeidskorting WGA-uitkering door UWV

Eiser ontving in 2022 een WGA-uitkering van het UWV en gaf deze op als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking, waardoor hij arbeidskorting claimde. De inspecteur kwalificeerde deze uitkering als inkomen uit vroegere dienstbetrekking, waardoor de arbeidskorting aanzienlijk werd verlaagd. Eiser stelde dat deze behandeling discriminerend was ten opzichte van belastingplichtigen die WGA-uitkeringen rechtstreeks van werkgevers ontvangen, en beriep zich op een arrest van de Hoge Raad van november 2024.

De rechtbank bevestigde dat de nationale wetgeving de WGA-uitkering terecht als inkomen uit vroegere dienstbetrekking aanmerkt en erkende dat dit leidt tot een schending van het discriminatieverbod. Echter, de Hoge Raad had in het genoemde arrest geen rechtsherstel geboden en de kwestie aan de wetgever overgelaten. De rechtbank volgde dit standpunt en bood geen rechtsherstel aan eiser.

De rechtbank nam kennis van de kabinetsreactie van maart 2025, waarin het kabinet aankondigde de discriminatie te zullen opheffen door de arbeidskorting per 1 januari 2027 in te perken voor socialezekerheidsuitkeringen. De rechtbank vond deze termijn en aanpak redelijk en zag geen aanleiding tot ingrijpen.

Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag bleef ongewijzigd, en de inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter M.T.M. Hennevelt op 9 oktober 2025.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2022 blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1038
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 oktober 2025 in de zaak tussen

[X] , uit [Z] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst / Kantoor Amsterdam, de inspecteur

(gemachtigde: [gemachtigde inspecteur] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 februari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.709.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiser € 93 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [persoon 1] .

Feiten

2. Eiser heeft in 2022 onder meer een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) van € 18.647 ontvangen. De WGA-uitkering is rechtstreeks aan eiser uitbetaald door het UWV.
3. Eiser heeft de WGA-uitkering in zijn aangifte IB/PVV over 2022 aangemerkt als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. Mede op basis daarvan bedraagt de arbeidskorting volgens de aangifte € 4.107.
4. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag op dit punt van de aangifte afgeweken. De inspecteur heeft de WGA-uitkering aangemerkt als inkomen uit vroegere dienstbetrekking. Als gevolg van deze correctie is de WGA-uitkering niet betrokken in de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting en bedraagt de arbeidskorting volgens de aanslag dus € 977.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de aanslag te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Partijen zijn het erover eens dat de inspecteur op basis van de nationale wet- en regelgeving de WGA-uitkering terecht heeft aangemerkt als inkomen uit vroegere dienstbetrekking en dus terecht niet heeft betrokken bij de berekening van de arbeidskorting. Eiser betoogt echter dat hij door die uitkomst wordt gediscrimineerd ten opzichte van belastingplichtigen die hun WGA-uitkering rechtstreeks van hun werkgever ontvangen. Bij die belastingplichtigen wordt de WGA-uitkering wel in aanmerking genomen voor de berekening van de arbeidskorting. Eiser doet hiertoe een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657 (het arrest van 15 november 2024). Eiser meent dat rechtsherstel moet worden geboden voor de schending van het discriminatieverbod waarmee hij wordt geconfronteerd.
8. De inspecteur heeft erkend dat eiser wordt gediscrimineerd als bedoeld in het arrest van 15 november 2024. De inspecteur stelt zich echter op het standpunt dat hiervoor geen rechtsherstel moet worden geboden, omdat het aan de wetgever is om deze discriminatie op te heffen.
9. De rechtbank stelt het volgende voorop. Partijen gaan terecht ervan uit dat de WGA-uitkering op grond van de nationale wet- en regelgeving niet in de berekeningsgrondslag voor de arbeidskorting moet worden betrokken. Partijen gaan ook terecht ervan uit dat dit voor eiser een schending van het discriminatieverbod oplevert. Voor dat laatste verwijst de rechtbank naar rechtsoverwegingen 5.3.1 tot en met 5.3.4 van het arrest van 15 november 2024.
10. De Hoge Raad heeft in het arrest van 15 november 2024 geen rechtsherstel geboden voor deze schending van het discriminatieverbod. Gelijke behandeling om de (verboden) discriminatie alsnog weg te nemen kan namelijk op verschillende manieren worden bereikt. Omdat een keuze voor een van die manieren zich niet duidelijk laat afleiden uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen of de wetsgeschiedenis, heeft de Hoge Raad rechtsherstel overgelaten aan de wetgever. De rechtbank overweegt dat het voorgaande ook geldt voor deze zaak. Dat betekent dat de rechtbank eiser geen rechtsherstel biedt voor de geconstateerde schending van het discriminatieverbod. De rechtbank overweegt daartoe aanvullend nog als volgt.
11. Het kabinet heeft bij brief van 14 maart 2025 gereageerd op het arrest van 15 november 2024 (de kabinetsreactie). [1] De kabinetsreactie komt erop neer dat het kabinet zich genoodzaakt voelt ervoor te kiezen de discriminatie op te heffen via het inperken van de reikwijdte van de arbeidskorting. De inperking houdt in dat in geen enkel geval meer arbeidskorting kan worden toegepast over socialezekerheidsuitkeringen. Volgens het kabinet sluit inperking op die wijze, in tegenstelling tot een uitbreiding, het meest nauw aan bij een doel van de arbeidskorting (stimuleren arbeidsparticipatie) en wordt met een inperking voorkomen dat nieuwe mogelijke discriminaties ontstaan (bijvoorbeeld tussen mensen met een WGA-uitkering en mensen met een WW-uitkering). Het kabinet heeft ervoor gekozen deze inperking door te voeren per 1 januari 2027. De redenen daarvoor zijn (i) borgen dat degenen die een financieel nadeel ondervinden door de inperking niet te abrupt worden geconfronteerd met een inkomensdaling en (ii) softwareontwikkelaars en werkgevers de nodige tijd geven om te anticiperen op deze aanpassing.
12. De kabinetsreactie is voor de rechtbank geen aanleiding om aan eiser toch rechtsherstel te bieden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het kabinet met voldoende spoed actie heeft ondernomen om de discriminatie, binnen iets meer dan twee jaar na het arrest van 15 november 2024, op te heffen. Daarbij heeft de rechtbank op dit moment geen reden om eraan te twijfelen dat de wetgever 1 januari 2027 zal halen. Ook de voorgenomen wijze waarop de discriminatie wordt opgeheven, geeft de rechtbank geen aanleiding om in te grijpen. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4.2 van het arrest van 15 november 2024 heeft overwogen, sluit het goed aan bij het doel van de arbeidskorting om een WGA-uitkering in geen enkel geval meer mee te tellen voor de berekening van de arbeidskorting.
13. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag niet wordt verminderd. De inspecteur moet wel het griffierecht en de proceskosten aan eiser vergoeden. Dit omdat partijen dit op de zitting hebben afgesproken. De proceskostenvergoeding bedraagt op grond van deze afspraak van partijen € 1.814.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden; en
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Bontsema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2025.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane en van de Minister van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid van 14 maart 2025, 2025-0000079599.