De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 25 april 2025 om een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van een jaar. Op 30 mei 2025 werd een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 30 augustus 2025. Deze machtiging is echter niet binnen drie maanden ten uitvoer gelegd vanwege gebrek aan motivatie van de minderjarige en diens ouders, waardoor opname bij Pluryn niet kon plaatsvinden.
Tijdens de mondelinge behandeling op 28 augustus 2025 heeft de kinderrechter vastgesteld dat de machtiging per 30 augustus 2025 vervalt op grond van artikel 1:265c lid 3 BW. De Raad handhaafde het verzoek tot verlenging tot 30 mei 2026, maar de kinderrechter oordeelde dat verlenging niet mogelijk is zonder nieuwe machtiging. De minderjarige en de ouders gaven aan dat de situatie verbeterd is en dat de minderjarige begeleiding ontvangt, een sollicitatiegesprek heeft en plannen heeft om naar school te gaan.
De kinderrechter benadrukte de zorgen over het risico van terugval in delictgedrag, maar stelde dat zonder geldige machtiging de GI verantwoordelijk is voor hulpverlening in de thuissituatie. Het verzoek tot verlenging werd daarom afgewezen. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na uitspraak.