Eiseres had een overbruggingsstudiefinanciering toegekend gekregen voor de periode tussen twee mbo-opleidingen. Nadat de vervolgopleiding wegens onvoldoende inschrijvingen niet doorging, besloot de minister de studiefinanciering af te wijzen en het te veel betaalde bedrag van €4.497,94 terug te vorderen.
Eiseres voerde aan dat zij mocht vertrouwen op de rechtmatigheid van de toekenning, dat zij pas laat werd geïnformeerd over het niet doorgaan van de opleiding, en dat toepassing van de hardheidsclausule op haar situatie passend was vanwege onvoorziene omstandigheden en onbillijkheid van overwegende aard.
De rechtbank oordeelde dat eiseres redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de overbruggingsfinanciering vervalt indien de opleiding niet doorgaat, mede op grond van de wet en informatie van DUO. De korte onzekerheidsperiode en het feit dat de overbrugging een uitzondering is op de hoofdregel maakten dat geen sprake was van onredelijke gevolgen. De hardheidsclausule behoefde niet te worden toegepast.
Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.