ECLI:NL:RBNNE:2025:4250

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
C/18/245757 / FT RK 25/770
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende poging buitengerechtelijke schuldregeling

Op 14 juli 2025 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp). Dit verzoek is behandeld op 24 september 2025, waarbij verzoeker, zijn beschermingsbewindvoerder en schuldhulpverlener zijn gehoord.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker niet-ontvankelijk is omdat niet is aangetoond dat het onmogelijk is om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. De schuldhulpverlener heeft geen aanbod aan schuldeisers gedaan, maar het Wsnp-verzoek direct ingediend met als reden dat verzoeker vanwege een Participatiewet-uitkering en een tijdelijke vrijstelling van arbeidsverplichting geen afloscapaciteit heeft.

De rechtbank stelt dat deze verklaring onvoldoende is om het minnelijk traject over te slaan. Er is geen bewijs dat schuldeisers een nulaanbod zouden weigeren, noch dat verzoeker niet in staat is te werken. De aanname dat de vrijstelling wordt verlengd is onvoldoende onderbouwd. Daarom voldoet het verzoek niet aan artikel 285 Faillissementswet Pro en wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Wel staat het verzoeker vrij om later een nieuw verzoek in te dienen indien hij orde op zaken stelt.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toepassing van de Wsnp wegens het ontbreken van een deugdelijke poging tot buitengerechtelijke schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/245757 / FT RK 25/770
vonnis d.d. 30 september 2025
in de zaak van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
[adres] ,
hierna te noemen [verzoeker] .

1.De procedure

1.1.
Op 14 juli 2025 heeft [verzoeker] een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling (Wsnp).
1.2.
Dit verzoek is behandeld op de zitting van 24 september 2025. [verzoeker] is verschenen en gehoord, vergezeld door [beschermingsbewindvoerder] , en [schuldhulpverlener] .
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling van het verzoek

2.1.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om te worden toegelaten tot de Wsnp en de rechtbank overweegt daartoe als volgt.
2.2.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Een van de doelstellingen van de Wsnp is het bevorderen van de totstandkoming van minnelijke schuldregelingen. Niet is gebleken dat de wetgever met de per 1 juli 2023 inwerking getreden wetswijzigingen deze doelstelling heeft willen loslaten. De Wsnp fungeert dus nog steeds als ‘stok achter de deur’ voor een buitengerechtelijk schuldregelingsakkoord. Een Wsnp-verzoek moet dus in beginsel zijn voorafgegaan door een deugdelijke poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. In artikel 285 lid Pro 1 (tweede zin) van de Faillissementswet is bepaald dat als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, voor de afgifte van de verklaring (een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen) niet eerst een poging hoeft te zijn gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. De bedoeling van de wetswijziging is “
dat de gemeenten de schuldenaar direct kunnen doorgeleiden naar de WSNP zodra duidelijk is dat het beproeven van een buitengerechtelijke schuldregeling zinloos is.
Zonder een redelijke verklaring dat verzoeker tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijke regeling te komen, of dat hij deze stap redelijkerwijs kan overslaan, kan de regeling niet van toepassing worden verklaard (MvT, Kamerstukken II 1997/98, 25 672, nr. 3, p. 4). De verklaring is immers een instrument om ervoor te zorgen dat eerst, indien redelijkerwijs mogelijk, een buitenwettelijke oplossing wordt beproefd.
2.3.
Uit het verzoekschrift blijkt dat de schuldhulpverlener namens [verzoeker] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers om tot een minnelijke regeling te komen. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek bij de rechtbank ingediend. Als reden hiervoor is ter zitting door de schuldhulpverlener verklaard dat [verzoeker] een Participatiewet-uitkering ontvangt en daarbij met ingang van 6 mei 2025 gedurende een half jaar door de gemeente is vrijgesteld van zijn arbeidsverplichting. Er is momenteel geen afloscapaciteit. De schuldhulpverlener acht niet uitgesloten dat de gemeente, na afloop van de vrijstelling van arbeidsverplichting, deze vrijstelling zal verlengen gelet op de arbeidscapaciteit van [verzoeker] . Er is daarom volgens de schuldhulpverlener geen reële verwachting dat het inkomen in de nabije toekomst zal stijgen. Namens [verzoeker] zou daarom alleen een nulaanbod gedaan kunnen worden. Hierover heeft de schuldhulpverlener ter zitting verklaard dat het in de lijn der verwachting ligt dat de schuldeisers hiermee niet akkoord zullen gaan.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de schuldhulpverlener geen rechtvaardiging is voor het niet doorlopen van het minnelijk traject. De schuldhulpverlener is uitgegaan van de aanname dat de schuldeisers niet akkoord gaan met een aanbod voor een minnelijke regeling. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet op voorhand worden geconcludeerd, zelfs niet als dit aanbod een nulaanbod zou zijn. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat in andere zaken een nulaanbod is afgewezen en dat zijn verwachting is dat ook in dit geval een nulaanbod door de schuldeisers zal worden geweigerd. Hij heeft de schuldeisers hier echter niet over gesproken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat een nulaanbod het maximaal haalbare is wat van [verzoeker] op financieel vlak mag worden verwacht. [verzoeker] is door de gemeente weliswaar ontheven van zijn arbeidsverplichting voor de duur van een half jaar vanaf mei 2025, maar dat deze ontheffing verlengd zal worden is eveneens een aanname. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat [verzoeker] met problematiek kampt die ervoor zorgt dat hij niet kan werken. [verzoeker] heeft hierover ter zitting alleen verklaard dat hij bij de huisarts is geweest en de mogelijkheid om medicatie voorgeschreven te krijgen, heeft geweigerd. Verder onderzoek of therapie is niet gevolgd. Dat [verzoeker] om wat voor reden dan ook niet in staat is om deel te nemen aan het arbeidsproces, is onvoldoende gebleken. Op voorhand kan daarom niet geconcludeerd worden dat de ontheffing van de gemeente zal worden verlengd en dat een inkomensstijging in de nabije toekomst is uitgesloten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de motivering die is gegeven voor het overslaan van het minnelijk traject onvoldoende is. Naar het oordeel van de rechtbank is de artikel 285-verklaring die bij het verzoek is gevoegd, dan ook niet juist.
2.5.
De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat het verzoek niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen, waardoor de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaart in zijn verzoek tot toepassing van de Wsnp. De rechtbank merkt hierbij wel op dat wanneer [verzoeker] alsnog orde op zaken stelt, het hem vrij staat om over enige tijd een nieuw verzoek in te dienen.

3.De beslissing

De rechtbank:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.