Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden waarbij hij gedurende 18 maanden zijn afloscapaciteit spaart, met toezicht van een schuldhulpverlener. De prognose was dat concurrente en preferente schuldeisers respectievelijk circa 11,96% en 22,93% zouden ontvangen. Verweerders, waaronder een schuldeiser en de Belastingdienst, stemden niet in; de Belastingdienst reageerde niet en de schuldeiser verzette zich vanwege het niet nakomen van betalingsverplichtingen en vermoedens van onttrekking van overwaarde.
De rechtbank overwoog dat schuldeisers in beginsel vrij zijn om medewerking aan een schuldregeling te weigeren, maar dat een bevel tot instemming slechts onder bijzondere omstandigheden wordt gegeven. De inhoud van het akkoord werd vergeleken met de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP), waarbij de rechtbank concludeerde dat het minnelijk traject gunstiger is voor schuldeisers vanwege lagere kosten en een prognoseaanbod dat kan stijgen bij hogere inkomsten.
De rechtbank vond geen reden om het dwangakkoord te weigeren op grond van kwade trouw, mede omdat verzoeker aannemelijk maakte dat de overwaarde was besteed aan noodzakelijke kosten en de vordering van de schuldeiser buiten de driejaarstermijn van de Faillissementswet viel. Het subsidiaire verzoek tot toelating tot de WSNP werd als ingetrokken beschouwd. De rechtbank beveelt de schuldeisers tot instemming met de schuldregeling.