Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:4297

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 september 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2025
Zaaknummer
11468079 BU VERZ 24-3171
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • W.B. Jongsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 13a, tweede lid, onder a, WahvArt. 13a, vijfde lid, WahvArtikel 4, onderdeel a, Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring administratieve boete wegens snelheidsovertreding buiten de bebouwde kom

Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens 12 km per uur te hard rijden buiten de bebouwde kom op de N380 bij Hoornsterzwaag. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard. De kantonrechter oordeelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig is verzonden.

De hoorplicht is niet geschonden; de vermeende verhinderingen zijn niet door de CVOM bevestigd en er zijn geen werkafspraken gemaakt. Betrokkene betwist de snelheidsovertreding, maar zijn stelling dat de radarmeting onjuist zou zijn, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat de overtreding is begaan en handhaaft de boete.

Hoewel de boete ongewijzigd blijft, kent de rechtbank een proceskostenvergoeding toe omdat betrokkene beroep moest instellen bij de kantonrechter om een inhoudelijke beoordeling te verkrijgen. De officier van justitie wordt veroordeeld tot betaling van € 45,35 aan proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring wordt gegrond verklaard, de boete blijft gehandhaafd en betrokkene ontvangt een proceskostenvergoeding van € 45,35.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 264082447
zaaknummer: 11468079 BU VERZ 24-3171

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van19 september 2025

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: Verbo Juridisch Advies.

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: VF012 – ‘12 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom’, verricht op 6 februari 2024, om 12:18 uur, op de N380 (Schoterlandseweg), ter hoogte van hectometerpaal 16.0, bij Hoornsterzwaag, met een personenauto met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 124,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 19 september 2025 op de zitting behandeld. De vertegenwoordigster van de officier van justitie is niet verschenen, maar haar standpunt is per e-mail aangeleverd. Ook betrokkene en de gemachtigde zijn niet verschenen.
1.3.
Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is, maar laat de boete ongewijzigd in stand, en kent een proceskostenvergoeding toe. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Namens betrokkene wordt aangevoerd dat de officier van justitie het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er zouden geen gronden zijn ingediend, maar deze zijn wel degelijk ingediend op 1 mei 2024. De gemachtigde verwijst hiervoor naar een verzendadministratie en een verklaring van de secretaresse die de verzending heeft afgehandeld.
3.1.
De gemachtigde beklaagt zich verder over de gang van zaken rondom de hoorzitting. Hij heeft op 18 april 2024 verhinderdata doorgegeven en vervolgens heeft de CVOM gebeld op één van de dagen waarop hij niet beschikbaar was. De hoorplicht is daarom volgens de gemachtigde geschonden. Ook is sprake van misbruik van recht, dan wel het traineren door de CVOM, door niet te voldoen aan e-mails en telefoontjes met betrekking tot het verzetten van hoorzittingen. De gemachtigde stoort zich ook aan het feit dat voor iedere zaak opnieuw gebeld wordt, in plaats van dat de zaken achter elkaar worden afgehandeld. Hij legt een e-mail aan de CVOM over.
3.2.
Inhoudelijk voert de gemachtigde aan dat betrokkene ontkent te hard te hebben gereden. Hij is gewoon met het verkeer meegereden. Betrokkene gelooft niet dat hij 92 kilometer per uur heeft gereden waar 80 was toegestaan. Er moet dus iets fout zijn gegaan met het uitmeten van de radarset.
3.3.
De boetebedragen zijn opnieuw met 10% gestegen, wat volgens de gemachtigde een absurde stijging te noemen is. Het OM heeft in het rapport Boetestelsel in Balans juist voorgesteld om boetes te verlagen. Daarom verzoekt de gemachtigde om verlaging van de boete.
3.4.
Er wordt verzocht om proceskostenvergoeding.
4. De vertegenwoordigster verzoekt primair om ongegrondverklaring van het beroep omdat de officier van justitie het administratief beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Subsidiair verzoekt ze om ongegrondverklaring op inhoudelijke gronden.
Overwegingen
5. De kantonrechter overweegt dat de gemachtigde door een verzendadministratie – waarop het kenmerk van de boete te zien is – en een verklaring van zijn secretaresse te overleggen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig bij de post is aangeboden. [1] De officier van justitie heeft het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Zijn beslissing kan niet in stand blijven en de kantonrechter zal het beroep inhoudelijk behandelen.
6. De hoorplicht is niet geschonden. De gemachtigde heeft weliswaar een e-mail met verhinderdata aan de CVOM overgelegd, maar daaruit blijkt niet dat die ook met die data heeft ingestemd of dat er anderszins werkafspraken zijn gemaakt rondom de planning van hoorzittingen. Uit de stukken blijkt ook niet dat de gemachtigde naar aanleiding van de uitnodiging van de hoorzitting contact heeft opgenomen om de hoorzitting te verplaatsen, zoals wordt aangeboden in de uitnodiging. Er is daarom geen sprake van misbruik van recht of het “traineren” van de gemachtigde.
6.1.
Voor wat betreft het voor iedere zaak opnieuw bellen: de kantonrechter zal geen oordeel geven over de werkwijze van de CVOM in het algemeen of in andere zaken dan die welke hier voorligt.
7. Verder betwist betrokkene de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
7.1.
De kantonrechter overweegt dat de niet-onderbouwde stelling dat iets fout moet zijn gegaan bij de radarmeting, onvoldoende is om te leiden tot twijfel. Er zijn geen aanwijzingen dat de meting niet juist is verricht of dat de apparatuur niet goed functioneerde. Hoewel betrokkene zich niet kan voorstellen dat hij te hard heeft gereden, blijkt uit de gegevens in het zaakoverzicht dat hij dat wel heeft gedaan. De verkeersovertreding kan worden vastgesteld.
8. De hoogte van verkeersboetes wordt landelijk vastgesteld en slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het boetetarief. Zulke omstandigheden doen zich hier niet voor. Daarom zal de kantonrechter de boete niet matigen.
9. Omdat de inleidende beschikking niet wordt gewijzigd, komen de proceskosten in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. Betrokkene heeft echter beroep bij de kantonrechter moeten instellen om een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep te verkrijgen. Daarom ziet de kantonrechter aanleiding om de in de fase bij de kantonrechter gemaakte kosten te laten vergoeden.
10. Hij zal één punt toekennen met een waarde van € 907,00 voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe.
10.1.
Omdat de beslissing van de officier van justitie na 1 januari 2024 is bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor toe als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, onder a, van de Wahv. [2] Aangezien de hoogte van de boete niet wordt gewijzigd, hanteert hij de factor 0,1.
10.2.
De berekening is dan als volgt: 1 (procespunt) x € 907,00 (tarief) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,1 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 45,35. Hij zal de officier van justitie daarom veroordelen in de kosten van € 45,35.
10.3.
Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven. [3]

Conclusie

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
  • vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
  • veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 45,35;
  • verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de wijze van uitbetalen.
Waarvan proces-verbaal,
mr. W.B. Jongsma, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 26 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7856.
2.Artikel 4, onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
3.Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051.