Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het niet op eerste vordering tonen van zijn rijbewijs tijdens een controle op 26 februari 2024 in Groningen. Hij stelde dat hij niet de bestuurder was en dat sprake was van identiteitsfraude door zijn broer. Betrokkene overlegde meerdere bewijsstukken, waaronder verklaringen van collega’s en een afschrift van zijn geregistreerde voertuigen, die aantonen dat hij op het moment van de overtreding elders was.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar de kantonrechter behandelde het beroep op 25 september 2025 en oordeelde dat de aangeleverde stukken voldoende waren om twijfel te zaaien over de identiteit van de bestuurder. De broer van betrokkene kon de specifieke controlevragen gemakkelijk beantwoorden, wat de vermoedens van identiteitsfraude versterkte.
De kantonrechter concludeerde dat de verkeersovertreding niet kon worden vastgesteld en vernietigde de boete. Tevens werd bepaald dat het bedrag van de zekerheidstelling aan betrokkene wordt teruggegeven. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.