Uitspraak
de inspecteur van de Belastingdienst MKB/kantoor Groningen, de inspecteur
Inleiding
Feiten
Door [J] in ontvangst genomen op 7 januari 2019
Eenrum november 2018
Betreft: Beslissing op bezwaar btw-teruggaaf (omzetbelasting)
Ontvankelijkheid
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
in welk tijdvakhet recht op teruggaaf is ontstaan. Uit de brief van 7 januari 2019 (zie 6.) kan de rechtbank dit echter niet afleiden en ook de door de gemachtigde van eiseres ter zitting gegeven toelichting bieden hiervoor geen enkel houvast. De inspecteur heeft aan de hand van de wettelijke bepalingen over het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf beredeneerd dat het bezwaar betrekking moet hebben op het derde kwartaal van 2018. Eiseres heeft daar niets tegen ingebracht. De rechtbank kan de inspecteur in zijn redenering volgen en licht dit hierna toe.
uiterlijkis ontstaan op 7 september 2018, zodat eiseres in de aangifte voor het derde kwartaal van 2018 het bedrag van de teruggaaf in mindering had moeten brengen. Dat laatste heeft eiseres niet gedaan en in zoverre zou haar bezwaar tegen de voldoening op aangifte over dat kwartaal tot een vermindering hebben kunnen leiden, ware het niet dat zij te laat was met haar bezwaar. De datum van voldoening over het derde kwartaal 2018 is 30 oktober 2018. De bezwaartermijn verstreek derhalve op 11 december 2018. De inspecteur heeft het - door hem als zodanig aangemerkte - bezwaar ontvangen op 7 januari 2019. Dat is buiten de bezwaartermijn [5] , zodat in beginsel moet worden geoordeeld dat de inspecteur het bezwaar terecht nietontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Bijlage: overzicht van enkele relevante wetsbepalingen
Informatie over hoger beroep
Bijlage
1. Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van leveringen en diensten, voor zover de vergoeding:
niet is en niet zal worden ontvangen;”
1. In geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de goederenlevering of dienst is verricht, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd en ontstaat voor de ondernemer in zoverre recht op teruggaaf van de door hem voldane belasting.
2. Het recht op teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de annulering, verbreking, ontbinding, gehele of gedeeltelijke niet-betaling of de prijsvermindering komen vast te staan, met dien verstande dat in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding het recht op teruggaaf geacht wordt te zijn ontstaan uiterlijk één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden.
1. Een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.”