ECLI:NL:RBNNE:2025:4493

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
11829858 GM-VERZ 25-5 & 11829896 GM VERZ 25-6
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot gijzeling wegens betalingsonwil van administratieve boetes

De officier van justitie vordert machtiging tot gijzeling van betrokkene wegens het niet betalen van twee administratieve boetes uit 2023, inclusief verhogingen, ter waarde van €1.203,00. Betrokkene heeft geen betalingen verricht en geen contact gezocht met het CJIB. Diverse minder ingrijpende maatregelen, zoals incasso via dwangbevel, inname rijbewijs en kentekenblokkade, bleken zonder resultaat.

Betrokkene gaf aan bij de Koninklijke Marechaussee op Schiphol dat zij het bedrag niet kon betalen vanwege een vakantie, maar wilde wel betalen. Uit registratie bij de RDW blijkt dat zij kentekenhouder is van een verzekerd en APK-gekeurd voertuig, wat wijst op financiële middelen. Er is geen aanwijzing voor betalingsonmacht zoals onderbewindstelling, faillissement of schuldsanering.

De kantonrechter concludeert dat betrokkene in staat is te betalen maar bewust niet betaalt, hetgeen betalingsonwil impliceert. Gezien het ontbreken van andere effectieve maatregelen en het feit dat betrokkene niet is verschenen om verweer te voeren, wordt de machtiging tot gijzeling voor 7 dagen verleend onder voorwaarden, waaronder volledige betaling binnen een jaar en geen sprake van detentie-ongeschiktheid.

Uitkomst: Machtiging tot gijzeling voor 7 dagen wegens betalingsonwil van administratieve boetes.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummers: 261959630 & 258278596
zaaknummers: 11829858 GM-VERZ 25-5 & 11829896 GM VERZ 25-6
Uitspraak op een vordering als bedoeld in artikel 28 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] .

Inleiding

1. De officier van justitie heeft twee vorderingen ingesteld om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, voor de duur van het in de vorderingen genoemde aantal dagen. De vorderingen zijn gegrond op het feit dat aan betrokkene twee administratieve sancties (boetes) zijn opgelegd in 2023 en dat deze boetes en de verhogingen (in totaal € 1.203,00) niet zijn betaald.
1.1.
De kantonrechter heeft de vorderingen op 25 september 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was niemand aanwezig.
1.2.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Standpunten
2. Het CJIB stelt zich op het standpunt dat de gijzelingsvordering moet worden toegekend. Het CJIB heeft betrokkene meerdere gelegenheden geboden om het bedrag van de onderhavige zaak te voldoen. Tot op heden heeft betrokkene geen enkele betaling gedaan en zij heeft nooit gereageerd. Dat het verhaal met dwangbevel niet mogelijk was, sluit niet uit dat betrokkene over niet-traceerbare vermogensbestanddelen of inkomstenbronnen kan beschikken.
Overwegingen
3. Gijzeling is een dwangmiddel waartoe alleen in uiterste noodzaak mag worden overgegaan en is bedoeld om degene die wel kan, maar niet wil betalen, tot betaling aan te zetten. Een machtiging tot het toepassen van dit dwangmiddel kan dan ook alleen worden gegeven als blijkt dat degene aan wie de boete is opgelegd, deze kan betalen.
4. Uit de stukken blijkt dat verhaal zonder dwangbevel, niet is toegepast, omdat de beslagvrije voet niet vastgesteld kon worden. Ook verhaal met dwangbevel is niet toegepast, omdat uit een of meer zaken is gebleken dat de deurwaarder op dat moment geen verhaalsmogelijkheden zag en daarom geen nieuwe zaken wenste te ontvangen. Daarnaast is door inneming van het rijbewijs geprobeerd om betaling van de boete te verkrijgen, dit heeft niet tot resultaat geleid. Buitengebruikstelling van het voertuig waarmee de overtreding heeft plaatsgevonden, is niet geslaagd, omdat het voertuig niet is aangetroffen. Een kentekenblokkade voor betrokkene is doorgevoerd op 18 juni 2024, maar ook dat heeft niet geleid tot betaling. Daarnaast zijn er in de periode van 2023 tot 2025 verschillende aanmaningen en waarschuwingsbrieven aan betrokkene gestuurd. Gelet hierop is voldoende gebleken dat andere, minder vergaande middelen om betaling te verkrijgen geen resultaat hebben opgeleverd.
5. Betrokkene heeft op 22 juli 2024 aan de KMAR Schiphol aangegeven dat zij niet genoeg geld heeft, maar ook dat zij met haar kinderen op vakantie ging en daarom het bedrag op dat moment niet kon betalen. Daarnaast staat betrokkene bij de RDW geregistreerd als kentekenhouder van een voertuig, dat verzekerd en/of APK gekeurd is. Hieruit blijkt dat betrokkene over tenminste enige financiële middelen beschikt.
6. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat betrokkene in staat is tot het betalen van de boete en dat sprake is van betalingsonwil. Betrokkene heeft bij de KMAR aangegeven dat zij het bedrag op dat moment niet kon betalen, omdat ze op dat moment op vakantie ging. Zij heeft hierbij aangegeven dat zij het bedrag wel wil gaan betalen. Daarnaast geeft het CJIB aan dat betrokkene bij de RDW geregistreerd staat als kentekenhouder van een voertuig, dat verzekerd en/of APK gekeurd is. Dit maakt aannemelijk dat betrokkene wél over financiële middelen beschikt, maar er bewust voor kiest de boete niet te betalen. Betrokkene heeft ook niet laten weten dat zij niet in staat is om te betalen. Zij heeft ook geen contact opgenomen met het CJIB om bijvoorbeeld een betalingsregeling aan te vragen. De stukken geven daarom een indicatie voor betalingsonwil.
7. Er zijn voor het overige ook geen aanwijzingen dat sprake is van betalingsonmacht. Er blijkt niet dat betrokkene onder bewind of curatele is gesteld, dan wel failliet is verklaard of is toegelaten tot een wettelijke of andere schuldsaneringsregeling. Betrokkene is ook niet op de zitting verschenen om verweer te voeren tegen de vordering en uitleg te geven over haar (financiële) omstandigheden.
8. Gelet op deze gegevens is toepassing van het dwangmiddel gijzeling gerechtvaardigd. Hierbij heeft de kantonrechter acht geslagen op het feit dat betrokkene vijf kinderen heeft, waarvan drie minderjarig zijn.
9. De machtiging tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling zal worden gegeven onder de hierna genoemde voorwaarden.

Conclusie

De kantonrechter:
‒ wijst de subsidiaire vorderingen toe en machtigt de officier van justitie tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling van betrokkene voor 7 dagen;
‒ de machtiging wordt gegeven onder de voorwaarde dat binnen een jaar na de uitspraak de openstaande vordering volledig moet zijn voldaan;
‒ de machtiging wordt gegeven onder de voorwaarde dat thans en bij het in gijzeling stellen van betrokkene geen sprake is van ondercuratelestelling, onderbewindstelling, faillissement of een wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van betrokkene, en dat geen sprake is van detentie-ongeschiktheid van betrokkene, waaronder begrepen medische, sociale of gezinsomstandigheden die in de weg staan aan gijzeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, kantonrechter, in aanwezigheid van
mr. W.B. Jongsma, griffier.
griffier kantonrechter

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.