ECLI:NL:RBNNE:2025:4697

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 september 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
LEE 24/2892
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.5 WooArt. 4.1 WooArt. 3 lid 3 WpgArt. 7 WpgArt. 25 Wpg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen herhaald Woo-verzoek vanwege uitputtend regime Wpg en AVG

Eiser diende op 21 april 2024 een Woo-verzoek in bij de korpschef van Politie, dat werd afgewezen. De korpschef wees het bezwaar eveneens af. Eiser stelde dat het verzoek nieuw was en dat de korpschef ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt en hem niet had gehoord.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek feitelijk een herhaling was van een eerder verzoek van 11 februari 2024, met specificering van periode en inhoud. Omdat reeds op het eerdere verzoek was beslist, werd het nieuwe verzoek als herhaald aangemerkt en afgewezen.

Verder stelde de rechtbank vast dat de Wet politiegegevens (Wpg) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) een uitputtend regime vormen voor de openbaarmaking en individuele verstrekking van persoonsgegevens, waardoor artikel 5.5 van de Woo niet van toepassing is.

De rechtbank verwierp ook het beroep op schending van de hoorplicht, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard, de afwijzing van het Woo-verzoek bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herhaalde Woo-verzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2892

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

De korpschef van Politie, Eenheid Landelijke Expertise en Operaties

(gemachtigde: mr. J. Robbers).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser over de afwijzing van zijn aanvraag in het kader van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Eiser heeft op 21 april 2024 een aanvraag ingediend op grond van de Woo.
1.2.
De korpschef van Politie (de korpschef) heeft deze aanvraag met het besluit van
29 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij de afwijzing gebleven.
1.3.
De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de korpschef. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.5.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Standpunten van partijen

2. De korpschef stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek - voor zover het de periode 1 januari 2014 tot en met 11 februari 2024 betreft - een herhaald verzoek is en het daarom wordt afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 9 april 2024 en de daarbij behorende motivering betreffende het eerdere verzoek. De korpschef stelt verder dat - voor zover het de periode 12 februari 2024 tot en met 21 april 2024 betreft - de Wet politiegegevens (Wpg) en/of de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in de weg staat aan toewijzing van het verzoek omdat deze regeling betreffende de op de persoon van eiser betrekking hebbende gegevens voorrang heeft. Hieruit volgt volgens de korpschef dat er niet wordt toegekomen aan artikel 5.5 van de Woo omdat de Wpg en of de AVG de openbaarheid en/of de individuele verstrekkingen uitputtend regelt. Indien het verzoek betreffende de periode 1 januari 2014 tot en met 11 februari 2024 niet als een herhaald verzoek kan worden aangemerkt, geldt dat ook daar de Wpg en/of de AVG in de weg staat aan de toewijzing van het verzoek.
3. Eiser stelt dat er geen sprake is van een herhaalverzoek. Daarnaast stelt eiser dat de korpschef voorbij gaat aan artikel 4.1 van de Woo en ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. De AVG is, net als de Wpg, geen lex specialis en voorziet niet in de verstrekking van afschriften en de openbaarmaking van stukken. Tot slot voert eiser aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar.

Beoordeling door de rechtbank

4. De korpschef heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat door eiser in bezwaar geen gronden waren gericht tegen het in het besluit van 29 april 2024 opgenomen standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen, indien het - voor zover het de periode 1 januari 2014 tot en met 11 februari 2024 betreft - niet als een herhaald verzoek kan worden aangemerkt. Het beroep is volgens de korpschef is zoverre niet-ontvankelijk.
4.1.
De rechtbank verwerpt deze stelling en overweegt als volgt. In bezwaar heeft eiser gesteld dat de korpschef er ten onrechte vanuit gaat dat sprake is van een herhaald verzoek. Het gaat volgens eiser om een nieuw en losstaand verzoek. Daarbij stelt eiser dat artikel 15 van Pro de AVG, en de Wpg, niet voorzien in inzage en openbaarmaking van de stukken. Eisers bezwaar, gericht tegen het standpunt dat sprake is van een herhaald verzoek, kan aldus niet anders worden begrepen als mede te zijn gericht tegen het standpunt van de korpschef dat
- voor zover het geen herhaald verzoek betreft - het verzoek moet worden afgewezen.
Is eisers verzoek gedeeltelijk een herhaald verzoek?5. Eiser heeft op 11 februari 2024 een Woo-verzoek gedaan dat ziet op alle (digitale) bescheiden en stukken die betrekking hebben op zijn persoon, zoals (interne) e-mails, communicatie, contact met externen zoals het Openbaar Ministerie en contacten met afdelingen JZ binnen de politie.
5.1.
Het thans voorliggende Woo-verzoek van 21 april 2024 ziet op alle stukken die betrekking hebben op eiser zoals (interne) e-mails, correspondentie, (interne) communicatie, WhatsApp en/of Signal berichten en overige stukken die zien op contacten binnen de Nationale Politie en/of met het Openbaar Ministerie en/of andere instanties met betrekking tot de door eiser gedane Woo-verzoeken aan de Nationale Politie, zoals e-mails van/aan zaaksofficieren, contacten met het DLIO/GRIP, het bestuur et cetera in de periode 1 januari 2014 tot en met 21 april 2024.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser met het onderhavige verzoek feitelijk het verzoek van 11 februari 2024 herhaalt en specificeert voor wat betreft (1) de periode waarop het verzoek ziet (1 januari 2014 tot en met 21 april 2024) en (2) de inhoud van de informatie (de Woo-verzoeken aan de Nationale Politie). Nu op 9 april 2024 al was beslist op het verzoek van 11 februari 2024 met betrekking tot alle informatie en externen (zonder specificeringen) is de rechtbank met de korpschef van oordeel dat het onderhavige verzoek een herhaald verzoek is voor zover het gaat om de periode tot en met 11 februari 2024.
Valt eisers verzoek onder de reikwijdte van artikel 5.5 van de Woo?
6. De rechtbank vindt voor beantwoording van deze vraag van belang wat de wetgever met artikel 5.5, eerste lid, van de Woo bedoeld heeft. In de geconsolideerde artikelsgewijze toelichting bij de Woo is opgenomen:
“Met de term ‘onverminderd het elders bij wet bepaalde’ wordt duidelijk gemaakt dat een andere regeling betreffende op een verzoeker betrekking hebbende gegevens voorrang heeft.” [1] Uit deze toelichting blijkt verder dat het daarbij gaat om regelingen die de openbaarheid van informatie en de individuele verstrekking uitputtend regelen. Zo is toegelicht dat het regime van bijvoorbeeld de Wpg aan de toepassing van artikel 5.5 van de Woo in de weg staat, omdat deze wet niet alleen de openbaarheid uitputtend beperkt, maar ook de individuele verstrekking. [2]
6.1.
Ten aanzien van de AVG is in de toelichting opgenomen dat een verzoeker met betrekking tot de verwerking van de eigen persoonsgegevens nooit toekomt aan een verzoek op grond van artikel 5.5 van de Woo. Het gaat volgens de initiatiefnemers tot de wet met artikel 5.5 van de Woo niet om een nieuw recht, maar om:
“een vangnet in het geval het beginsel dat eenieder recht heeft om op hem betrekking hebbende informatie te kennen niet optimaal is geregeld.” [3] Wel strekt artikel 5.5 van de Woo verder dan het inzagerecht uit artikel 15 van Pro de AVG, omdat het verzoek betrekking kan hebben op andere gegevens dan persoonsgegevens. De rechtbank citeert:
“De AVG geeft aanspraak op inzage in de verwerking van persoonsgegevens en in de AVG gespecificeerde informatie betreffende die verwerking. Artikel 5.5 geeft aanspraak op het verstrekken van informatie die betrekking heeft op de verzoeker. Het zal dan vooral gaan om bestuursorganen die bij de uitvoering van hun taak een dossier over de verzoeker hebben aangelegd, dan wel een dossier hebben aangelegd over een aangelegenheid waarbij de verzoeker is betrokken geraakt, zodat gegevens over hem in dat dossier zijn terecht gekomen. De reikwijdte van artikel 5.5 betreft in dat geval de informatie die uitsluitend (rechtstreeks) betrekking heeft op de verzoeker.”
6.2.
De rechtbank komt gelet op de weergegeven wetsgeschiedenis tot de conclusie dat eisers beroepsgrond dat de korpschef zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het verzoek van eiser niet op grond van de Woo kan worden beoordeeld, niet slaagt. De Wpg regelt in de artikelen 3, derde lid, 7 en 25 immers zowel de openbaarmaking als de individuele verstrekking en is daarmee uitputtend. De AVG regelt naast de inzage in persoonsgegevens ook de individuele verstrekking van afschriften. De vangnetbepaling van artikel 5.5 van de Woo vindt, gelet op de gegevens waar eiser om heeft verzocht en waarvoor andere regelingen gelden met een uitputtend openbaarheidsregime en/of een uitputtend bedoeld verstrekkingsregime, geen toepassing. De beroepsgrond slaagt niet en de verwijzing naar artikel 4.1 van de Woo faalt gelet op het voorgaande eveneens.
Had de korpschef eiser moeten horen?7. Eisers beroepsgrond dat de hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden, slaagt evenmin. De rechtbank is met de korpschef van oordeel dat uit het bezwaarschrift van eiser, gelet op de juiste afwijzingsgrond van de korpschef zoals omschreven onder 5.1 en 6.2, aanstonds bleek dat het geen kans van slagen had. De korpschef heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, aanhef en b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en op die grond van het horen van eiser in de bezwaarfase kunnen afzien.

Conclusie en gevolgen

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van het Woo-verzoek van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr.K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet open overheid
Artikel 5.5, eerste lid, van de Woo bepaalt:
Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
Wet politiegegevens
Artikel 25, eerste lid, van de Wpg bepaalt:
De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:
a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;
b. de betrokken categorieën van politiegegevens;
c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e. het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens;
f. het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit;
g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
Algemene Verordening Gegevensbescherming
Artikel 15 van Pro de AVG bepaalt:
1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a. a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake Pro de doorgifte.
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.

Voetnoten

1.Kamerstukken I, 2021/22, 33328, AB, p. 105.
2.Kamerstukken I, 2021/22, 33328, AB, p. 106.
3.Kamerstukken I, 2021/22, 33328, AB, p. 106.