ECLI:NL:RBNNE:2025:4734

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
C/18/244065 HA ZA 25-104
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over de status van een pad als openbare weg volgens de Wegenwet

In deze zaak, uitgesproken op 19 november 2025 door de Rechtbank Noord-Nederland, staat de vraag centraal of een pad, dat verschillende openbare wegen verbindt, kan worden aangemerkt als een openbare weg in de zin van artikel 4 van de Wegenwet. Eisers, bestaande uit drie eigenaren van kadastrale percelen, hebben de gedaagden, eigenaren van aangrenzende percelen, gesommeerd om het pad niet langer te hinderen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het pad al meer dan dertig jaar voor eenieder toegankelijk is geweest, en dat de gedaagden dit gebruik hebben belemmerd door fysieke obstakels aan te brengen. De rechtbank oordeelt dat het pad voldoet aan de criteria van de Wegenwet en verklaart het pad als openbaar wandel- en fietspad. De gedaagden worden veroordeeld om het pad in zijn oorspronkelijke staat te herstellen en het openbaar gebruik niet te hinderen, onder verbeurte van dwangsommen. De proceskosten worden aan de gedaagden opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/244065 / HA ZA 25-104
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats ] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats ] ,
3.
[eiser sub 3],
te [woonplaats ] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. A.K. Doornbosch,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats ] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats ] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. P.J.G. Goumans.
Eisers worden hierna [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] en gezamenlijk in mannelijk enkelvoud [eisers] genoemd. Gedaagden worden hierna [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en gezamenlijk in mannelijk enkelvoud [gedaagden] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 juli 2025;
- de akte van [eiser sub 1] van 8 oktober 2025 (producties 10 tot en met 25);
- de akte van [eiser sub 1] van 8 oktober 2025 (productie 26);
- de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn eigenaar van het kadastrale [perceel, sectie, nummer 1] ( [adres horende bij perceel 1] ). [eiser sub 3] is eigenaar van het kadastrale [perceel, sectie, nummer 2] ( [adres horende bij perceel 2] ).
2.2.
[gedaagde sub 1] is eigenaar van het kadastrale [perceel, sectie, nummer 3] . Hij heeft dit perceel in 2015 verkregen uit de nalatenschap van zijn neef en nicht.
[gedaagde sub 1] exploiteert met zijn echtgenote en zoon een boerenbedrijf (een maatschap). Voornoemd perceel wordt door de maatschap gebruikt als grasland. [gedaagde sub 2] is de dochter van [gedaagde sub 1] . Zij is eigenaar van het kadastrale [perceel, sectie, nummer 4] .
2.3.
Over de percelen van [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] loopt een pad, ook wel ‘ [pad] ' genoemd (hierna: [pad] ). [pad] verbindt het [straatnaam horende bij perceel 1] met de [straatnaam horende bij perceel 2] en de [straatnaam 3] . Het [straatnaam horende bij perceel 1] , de [straatnaam horende bij perceel 2] en de [straatnaam 3] zijn openbare wegen.
2.4.
In 2019 zijn twee eiken die stonden langs het deel van [pad] dat over het perceel loopt van [gedaagde sub 1] , omgewaaid. [gedaagde sub 1] heeft één eik laten liggen. In april 2020 heeft [gedaagde sub 1] de toegang tot [pad] versperd met een bult takken en (opnieuw) een bordje ‘Verboden Toegang’ opgehangen. [gedaagde sub 1] heeft in mei 2023 onder andere de verharding van [pad] zoveel mogelijk weggegraven en de afrastering tussen diens agrarische perceel en [pad] verwijderd. Door deze werkzaamheden is het voor derden niet (goed) meer mogelijk om gebruik te maken van [pad] .
2.5.
De advocaat van [gedaagden] heeft [eiser sub 1] gesommeerd om [pad] , voor zover die loopt over het perceel van [gedaagden] , niet langer te gebruiken, omdat [gedaagden] eigenaar is van dat deel van [pad] .
2.6.
[eisers] heeft op zijn beurt [gedaagden] gesommeerd om [pad] terug te brengen in oorspronkelijke staat en het openbaar gebruik daarvan niet (langer) te verhinderen, omdat [pad] volgens hem een openbare weg is als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [pad] een openbaar wandel- en fietspad over de kadastrale percelen [perceel, sectie, nummer 1] , [perceel, sectie, nummer 3] , [perceel, sectie, nummer 4] en [perceel, sectie, nummer 2] is;
II. [gedaagde sub 1] te veroordelen om binnen een termijn van vier weken na betekening van dit vonnis het wandel- en fietspad over diens [perceel, sectie, nummer 3] zodanig deugdelijk te herstellen dat het pad zoals weergegeven op de als productie 2 bij dagvaarding overgelegde foto's zal zijn hersteld en het openbaar gebruik daarvan door eenieder op geen enkele wijze te hinderen op straffe van de verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,00 per dag dat hij daarmee in gebreke blijft of het openbaar gebruik verhindert met een maximum van € 200.000,00;
III. [gedaagde sub 2] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het openbaar gebruik van het pad over haar perceel door eenieder op geen enkele wijze te hinderen op straffe van de verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,00 euro per dag dat zij daarmee in gebreke blijft of het openbaar gebruik verhindert met een maximum van € 200.000,00;
IV. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk te veroordelen in kosten van deze procedure.
3.2.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet- ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze procedure om de vraag of [pad] een openbare weg is als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Artikel 4 Wegenwet: openbare weg
4.2.
Artikel 4 lid 1 van de Wegenwet bepaalt dat een weg openbaar is, wanneer:
I. hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;
II. hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap;
III. de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.
4.3.
Verder bepaalt artikel 4 lid 2 van de Wegenwet dat het voorgaande uitzondering lijdt wanneer lopende de termijn van dertig (onder I) of van tien jaren (onder II), gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is. Dit kenbaar maken kan blijkens artikel 4 lid 3 van de Wegenwet geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.
4.4.
[eisers] stelt dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder I van de Wegenwet. Dat betwist [gedaagden] Volgens [gedaagden] is [pad] geen weg en is [pad] bovendien niet gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk geweest.
Weg
4.5.
Op grond van artikel 4 lid 2 van de Wegenwet wordt onder wegen in de Wegenwet mede verstaan: (I) voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik en (II) bruggen.
4.6.
Er is (verder) geen artikel in de Wegenwet waarin staat wat een weg is en wat niet. Dat werd door de wetgever niet nodig en niet gewenst geacht, omdat voornamelijk de praktijk zelf moet aangeven wat een weg is. [1] De Wegenwet heeft in ieder geval betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen voor het afwikkelen van het openbare verkeer en die dus naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de grond waarop de weg is aangelegd. Ook speelt bij het beantwoorden van die vraag geen rol of er een ander recht, zoals een erfdienstbaarheid of recht van overpad, op de weg rust. [2]
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat [pad] een weg is als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet. Tussen partijen staat vast dat [pad] meerdere openbare wegen verbindt, te weten het [straatnaam horende bij perceel 1] , de [straatnaam horende bij perceel 2] en de [straatnaam 3] . Vanaf het [straatnaam horende bij perceel 1] kan lopend of fietsend via [pad] en De [straatnaam horende bij perceel 2] de [straatnaam 3] (en uiteindelijk het centrum van het dorp [woonplaats ] ) worden bereikt. [pad] maakt daarmee onderdeel uit van een wegenstelsel en heeft een functie voor het afwikkelen van het openbare verkeer voor een grote, onbepaalde publieksgroep. Dat [pad] voornamelijk zou worden gebruikt door omwonenden, zoals [gedaagden] aanvoert, doet daar niet aan af. Als iemand zich vanaf zijn of haar woning wil verplaatsten, zal diegene veelal gebruik (moeten) maken van wegen die rondom die woning liggen. Daarom geldt voor vele wegen –als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet – dat deze voornamelijk (niet uitsluitend) door omwonenden worden gebruikt. Eén en ander zou anders zijn indien [pad] niet verbonden was met een openbare weg, maar zou uitkomen op bijvoorbeeld een plein waar een aantal woningen aan is gelegen, zoals in het door [gedaagden] aangehaalde uitspraak het geval was (met dien verstande dat het daar ging om een plein waaraan garages behorende bij woningen waren gelegen). In dat geval zou [pad] geen functie hebben voor het afwikkelen van het openbare verkeer voor een grote onbepaalde publieksgroep, maar een bepaalde publieksgroep. Daarvan is echter geen sprake.
Voor een ieder toegankelijk geweest gedurende 30 achtereenvolgende jaren
4.8.
Van toegankelijkheid voor een ieder in de zin van artikel 4 lid 1 Wegenwet is niet reeds sprake, indien gedurende de aangegeven tijd een ieder in de feitelijke mogelijkheid is geweest de weg te betreden. Dit betreden moet tevens niet wederrechtelijk zijn geweest en mag dus ook niet tegen de kenbaar gemaakte wil van de rechthebbende zijn geschied. [3] Er moet sprake zijn van vrije toegankelijkheid. Daarvan kan worden gesproken indien de eigenaar van de grond waarop de weg is gelegen het gebruik van die weg door het publiek heeft toegelaten. Het gebruik van de weg door (uitsluitend) ‘bestemmingsverkeer’ is onvoldoende om de weg als voor eenieder vrij toegankelijk te bestempelen. [4]
4.9.
[eisers] stelt dat [pad] al meer dan 30 achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest. [pad] wordt volgens hem ‘sinds mensenheugenis’ door een ieder gebruikt, in ieder geval tot 2000. Ter onderbouwing van die stelling wijst [eisers] op meerdere schriftelijke verklaringen van omwonenden. In een aantal van die verklaringen is onder meer te lezen:
-
[omwonende 1] :
‘Dagelijks maak ik een wandeling van 5km en kom ik ook over het prachtig landelijk gelegen “ [pad] ”
[…]
Bovendien is dit pad altijd al in gebruik geweest.
60 jaar geleden was dit pad de route van mijn vrouw naar school.’
-
[omwonende 2] :
‘Graag zouden wij zien dat dit pad “ [pad] ”, dat al sinds mensenheugenis bestaat, blijft bestaan voor fietsers en voetgangers.
[…]
Wij hebben het altijd gebruikt om naar school te gaan.’
-
[omwonende 3] :
‘Ik was een jongen van 8 jaar liep ik al op het hogedykje om van de [straatnaam 4] naar [straatnaam horende bij perceel 1] te Lopen en ik ben nu 70 jaar en loop nog steeds het rondje.
[…]
Er word veel gebruik van door wandelaars die even een blokje om willen lopen, ook toeristen makten er gebruik van als je daar loopt ben je 1 met de natuur.’
-
[omwonende 4] :
‘Zowel wij, als onze dochter, als de vorige bewoners die wij goed kennen, hebben [pad] de afgelopen 36 jaar altijd als een belangrijk element van onze omgeving ervaren, en ook altijd als een stukje dierbare "openbare" weg. Onze dochter heeft daar met de dochter van de buren veel gespeeld, en we herinneren ons nog goed hoe zij bootjes maakten voor het overtollige water daar in de winter. Het was ook voor ons en ook de voormalige bewoners een essentiële verbinding met het dorp, belangrijk, met name voor kinderen, omdat onze woonplek enigszins geïsoleerd ligt. Het was ook de dagelijkse heen en terugweg naar de dorpsschool. Tot slot functioneerde het diekje in tijden van bijv, sneeuwval als een uitweg omdat het [straatnaam horende bij perceel 1] soms voor auto's onbegaanbaar is door flinke sneeuwval. Wij parkeerden dan de auto op de parkeerplek langs de [straatnaam 3] (zo'n plek is er niet waar het [straatnaam horende bij perceel 1] uitkomt op de [straatnaam 5] ) en konden dan via een korte wandeling over [pad] de auto makkelijk bereiken.’
-
[omwonende 5]
‘Ik ben samen met mijn ouders in 1960 aan het [adres] komen wonen. In die tijd hadden weg een auto en ging alles met de fiets. Om het huis te bekijken gingen mijn ouders over [pad] . Ook ging mijn moeder er overheen om boodschappen te doen in [woonplaats ] . Samen gingen we koffie drinken aan het [straatnaam horende bij perceel 2] over [pad] ik op de fiets en mijn moeder achter de kinderwagen met mijn broertje erin. Zo breed was [pad] toen wel. Ik ging in [woonplaats ] naar de lagere school aan de Hogetilweg. Dus was [pad] mijn vaste pad om naar school te fietsen zomers en te lopen ’s winters. [pad] is door de jaren heen heel intensief gebruikt. Door alle kinderen aan het [straatnaam horende bij perceel 1] en de [straatnaam 5] . Ook door mijn broer en zussen die na mijn zijn geboren. Het was ook voor hen de veiligste en kortste weg naar school. [pad] werd dus iedere dag gebruikt.
[…]
Ik kreeg in 1972 een vriendje uit [plaats 2] . Ook deze jongen ging op de fiets over [pad] om bij ons te komen. In 1975 ben ik getrouwd en ergens anders gaan wonen, maar 1988 hebben wij het huis aan het [straatnaam horende bij perceel 2] gekocht. Hier woon ik nog steeds als mijn kinderen en wij naar oma en opa gingen was dat over [pad] .
[…]
Mijn vader en zusjes zetten ook hun handtekening onder het verhaal, omdat zij ook weten dat het waar is.’
-
[omwonende 6]
‘Als kind uit [plaats] struinden we vaak in de omgeving van ons dorp vooral de onverharde paden waren onze favoriete speelplekken. Aan het " [pad] " heb ik heel wat avonturen beleefd. Het openbare paadje was de verbinding tussen het [straatnaam horende bij perceel 1] en de [straatnaam horende bij perceel 2] er woonde niemand dus je kon er ongestoord bomen klimmen en huisjes bouwen in de slootwal. Het smalle wandelpaadje een halve meter hoger dan de landerijen had altijd iets magisch, je kreeg er altijd het gevoel terug te zijn in het verleden.
Toen ik volwassen was kocht ik een huis aan het [straatnaam horende bij perceel 1] en mijn vast route op fiets naar het
voetbalveld of naar de kroeg in het dorp ging over het " [pad] ". Ook al was het pad door de regen of de sneeuw soms moeilijk begaanbaar toch koos je voor deze route al was het alleen om even het melancholische gevoel van vroeger te krijgen.
Veel wandelingen met mijn kinderen, bezoek of familie leidden steevast naar het " [pad] " om dan via de [straatnaam horende bij perceel 2] en het [pad 2] een heel mooi ommetjes door het landschap te maken. De gang over [pad] was dan de aanleiding voor verhalen over vroeger en het uitspeken van mijn trots voor één van de mooiste plekjes in de omgeving van mijn woning.’
4.10.
Uit voornoemde verklaringen volgt dat [pad] volgens deze getuigen door een ieder werd en wordt gebruikt als wandel- fietspad om de school/het centrum van het dorp [plaats] te bereiken en om een ommetje te maken. Verder valt uit de verklaringen van
[omwonende 1] , [omwonende 2] , [omwonende 3] en [omwonende 6] af te leiden dat [pad] in ieder geval al sinds 1970 op voornoemde wijze wordt gebruikt. [omwonende 2] schrijft dat [pad]
‘al sinds mensenheugenis’bestaat en door hem werd gebruikt om naar school te gaan. Nu [omwonende 2] blijkens zijn verklaring is geboren in 1949, gaat de rechtbank ervan uit dat [pad] volgens hem in ieder geval sinds 1970 werd gebruikt. [omwonende 6] verklaart dat hij sinds zijn kindertijd gebruik maakt van [pad] . Hij schrijft niet vanaf welke leeftijd hij als kind op [pad] speelde, maar blijkens zijn verklaring is [omwonende 6] geboren in 1961, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat (ook) hij in 1970 al gebruik maakte van [pad] . Verder verklaart [omwonende 1] dat [pad] 60 jaar geleden al gebruikt werd als route naar school en verklaart [omwonende 3] dat hij [pad] al 62 jaar gebruikt voor het maken van een ommetje. Tot slot maakt de rechtbank uit deze verklaringen op dat gebruik volgens hen onafgebroken heeft plaatsgevonden. Blijkens de verklaringen wordt [pad]
sinds(in ieder geval) 1970 op de door hen genoemde wijze gebruikt en geen van deze getuigen verklaart dat dit gebruik in de 30 daarop volgende jaren is gestopt en later weer is hervat.
4.11.
[gedaagden] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd de juistheid van voornoemde verklaringen betwist. [gedaagden] betwist in zijn algemeenheid dat [pad] 30 achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest, maar hij heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit afgeleid zou kunnen worden dat voornoemde verklaringen niet (kunnen) kloppen. [gedaagden] voert slechts aan dat de verklaringen ‘geen concreet beeld opleveren’, maar dat heeft hij niet nader toegelicht. Bovendien is het enkele feit dat de verklaringen afkomstig zijn van omwonenden (die (mogelijk) bij het gebruik van [pad] een belang hebben), onvoldoende om de juistheid daarvan in twijfel te trekken. Het ligt ook voor de hand dat juist de omwonenden kunnen verklaren over het gebruik van [pad] .
4.12.
Dit alles betekent dat moet worden uitgegaan van de juistheid van voornoemde verklaringen. Daaruit kan worden afgeleid dat [pad] tot 2000 meer dan 30 jaren voor een ieder toegankelijk is geweest. Dat voornamelijk omwonenden gebruik hebben gemaakt van het pad, laat onverlet dat het pad
voor een iedertoegankelijk is geweest.
Na het tijdstip van 30 jaren voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wegenwet
4.13.
De Wegenwet is in 1932 inwerking getreden. Hiervoor is vastgesteld dat [pad] vanaf (in ieder geval) 1970 gedurende 30 achtereenvolgende jaren heeft plaatsgevonden. Dat is dus ná inwerkingtreding van de Wegenwet. Daarmee wordt aan deze (laatste) voorwaarde van artikel 4 lid 1 van de Wegenwet voldaan. Dat betekent dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder I van de Wegenwet.
Uitzondering artikel 4 lid 2 van de Wegenwet
4.14.
Resteert de vraag of de uitzondering van artikel 4 lid 2 van de Wegenwet van toepassing is. [gedaagden] stelt dat daarvan sprake is, omdat vanaf 2001 bordjes op [pad] zouden zijn geplaatst met de tekst ‘eigen weg’. Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat [pad] sinds 1970 gedurende 30 achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest, was ten tijde van het plaatsen van de bordjes al sprake van een openbare weg als bedoeld in artikel 4 van de Wegenwet. Reeds om die reden slaagt het beroep op lid 2 van dit artikel niet.
Conclusie4.15. De vordering onder I wordt vanwege het voorgaande toegewezen. [eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [gedaagde sub 1] op dit moment het openbare gebruik van [pad] verhindert (onder andere doordat hij een hek heeft geplaatst). Het eerste gedeelte van de vordering onder II moet volgens hem zo worden begrepen, dat [pad] door [gedaagde sub 1] zodanig moet worden hersteld (in oorspronkelijke staat moet worden teruggebracht), dat derden (en met name [eisers] ) niet langer meer worden verhinderd om over [pad] te lopen. [gedaagde sub 1] betwist niet dat hij het gebruik van [pad] op dit moment verhindert. De rechtbank is met [eisers] van oordeel dat [gedaagde sub 1] het gebruik van [pad] , omdat dat pad openbaar is, niet mag verhinderen. De rechtbank is verder, gelet op de door [eisers] gegeven concretisering, van oordeel dat de vordering niet te onbepaald is. De vordering onder II wordt daarom in die zin ook toegewezen. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] (enkel) de door hem aangebrachte wijzigingen ongedaan moet maken opdat [pad] in de staat wordt gebracht als weergegeven op de foto’s overgelegd als productie 2 bij dagvaarding en weer door een ieder gebruikt kan worden. De vordering onder III wordt vanwege het voorgaande eveneens toegewezen, met dien verstande dat (vanwege de termijn die wordt gegeven om [pad] te herstellen) zal worden bepaald dat [gedaagden] het gebruik van [pad] op geen enkele wijze mag hinderen
vanafvier weken na betekening van dit vonnis. Aan de veroordelingen zal een dwangsom worden verbonden van € 500,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 (per overtreding).
4.16.
[gedaagden] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Zij zullen hoofdelijk worden veroordeeld, nu daartegen geen verweer is gevoerd. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,00
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2,0 punt × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.883,00

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart voor recht dat [pad] een openbaar wandel- en fietspad over de kadastrale percelen [perceel, sectie, nummer 1] , [perceel, sectie, nummer 3] , [perceel, sectie, nummer 4] en [perceel, sectie, nummer 2] is,
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het wandel- en fietspad over diens [perceel, sectie, nummer 3] zodanig deugdelijk te herstellen dat het pad zoals weergegeven op de als productie 2 bij dagvaarding overgelegde foto's zal zijn hersteld,
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eisers] te betalen een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.2. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] om vanaf vier weken na betekening van dit vonnis het openbaar gebruik van [pad] dat loopt over het perceel van [gedaagde sub 1] en
[gedaagde sub 2] door eenieder op geen enkele wijze te hinderen,
5.5.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] te betalen een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.4. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00,
5.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.883,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.2. tot en met 5.6. uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op
19 november 2025.
710/mh

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1929/1930, nr. 99a, blz. 1
2.RvS, 3 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4744, RvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2241 en RvS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1652.
3.HR 29 oktober 1934, AB 1935, p. 326; Gst. 1935, nr. 4350
4.Gerechtshof Arnhem 5 juni 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BA8379