ECLI:NL:RBNNE:2025:4777

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 september 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/18/246238 / FT RK 25/843
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord in het kader van de Faillissementswet

Op 17 september 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord op basis van artikel 287a van de Faillissementswet. De verzoeker, geboren in 1994, had een verzoekschrift ingediend om een dwangakkoord vast te stellen en om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling (WSNP). De Belastingdienst en een schuldeiser, vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders, hebben bezwaar gemaakt tegen het voorstel. Tijdens de zitting op 3 september 2025 werd duidelijk dat het aanbod van de verzoeker niet goed gedocumenteerd was. De schuldenlast was niet adequaat onderbouwd en er ontbraken medische verklaringen die de werkcapaciteit van de verzoeker konden onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat de schuldeisers in redelijkheid tot weigering van instemming met het akkoord konden komen, omdat het aanbod niet het maximaal haalbare was en niet voldoende was onderbouwd. De rechtbank heeft het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord afgewezen en verzoeker werd verzocht om binnen vier weken te laten weten of hij zijn verzoek om toelating tot de WSNP wenst te handhaven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/246238 / FT RK 25/843

vonnis van 17 september 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
1.
Belastingdienst LIC,
Postbus 100, 6400 AC Heerlen;
hierna te noemen de Belastingdienst;
2)
[schuldeiser] B.V., vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders,
[vestigingsplaats] ,
hierna te noemen [schuldeiser] .

PROCESGANG

Op 30 juli 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) en tot toelating tot de schuldsaneringsregeling (WSNP) ontvangen.
[schuldeiser] heeft op 29 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van
3 september 2025. Hierbij zijn verschenen:
  • verzoeker;
  • dhr. [schuldhulpverlener 1] en mevr. [schuldhulpverlener 2] , namens Kredietbank Nederland (hierna te noemen: de schuldhulpverlener);
  • mevr. [budgetbeheerder] , namens Gemeente [gemeente] (hierna te noemen: de budgetbeheerder);
  • dhr. [naam] , namens [schuldeiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

Verzoeker heeft bij brief van 18 januari 2024 een saneringskrediet aangeboden aan zijn schuldeisers. Niet alle schuldeisers zijn akkoord gegaan met het aangeboden voorstel. De schuldhulpverlener heeft vervolgens op 25 september 2024 namens verzoeker een nieuw voorstel gedaan aan de schuldeisers op basis van een prognose met een verwachte uitdeling van 2,61% aan de preferente schuldeiser en 1,30% aan de concurrente schuldeisers. Vervolgens is door de budgetbeheerder is een extra inleg gedaan van € 2.210,00. Dit in verband met de mogelijke waarde van de auto die verzoeker in zijn bezit heeft. Door deze inleg is er een uitdeling mogelijk van 15,96 % aan de preferente schuldeiser en 7,98 % aan de concurrente schuldeisers.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve door de Belastingdienst en [schuldeiser] aanvaard.
[schuldeiser] heeft niet ingestemd met de schuldregeling. Op 29 augustus 2025 heeft LAVG namens [schuldeiser] een verweerschrift ingediend. [schuldeiser] heeft (kort samengevat) de volgende redenen voor haar weigering opgegeven:
-
het voorstel is niet goed, volledig en betrouwbaar gedocumenteerd;
in het eerste voorstel bedroeg de schuldenlast van verzoeker € 48.841,29 en in het tweede voorstel bedroeg de schuldenlast € 28.333,34. Echter werd op basis van een nagenoeg zelfde afloscapaciteit een percentage van 1,33 % aangeboden. Voorts is er geen onderbouwde toelichting gegeven waarom verzoeker (nog) niet fulltime werkt c.q. volledig zou kunnen werken. Een medische onderbouwing ontbreekt.
-
het aanbod is niet het maximaal haalbare;
[schuldeiser] meent dat in de Wsnp een veel groter bedrag aan alles schuldeisers kan worden aangeboden, in vergelijking met het minnelijk traject. Daarnaast zou de wettelijke schuldsaneringsregeling meer waarborgen bieden, met name de sollicitatieverplichting en toezicht door de rechter-commissaris;
-
bezit auto en bromfiets;
verzoeker heeft twee voertuigen op naam staan die sinds 2 april 2024 zijn geschorst. De schuldhulpverlener heeft aangegeven dat op beide voertuigen beslag zou liggen en de auto grondig onderhoud nodig zou hebben waarmee de nodige kosten zouden zijn gemoeid. Noch bij het voorstel, noch bij het verzoekschrift dwangakkoord heeft de schuldhulpverlener deze stelling onderbouwd, laat staan de warde van deze auto als vermogen meegenomen in het voorstel.
Verzoeker heeft er zitting verklaard dat hij sinds 1 april 2024 een ziektewet uitkering ontvangt. De WIA uitkering is inmiddels aangevraagd. Dit jaar heeft verzoeker de diagnose ASS gekregen. Hij is op zoek naar handvaten om hier in het dagelijks leven beter mee om te kunnen gaan. Werken ging op den duur niet meer, omdat alle prikkels teveel werden. Om de acht tot tien weken heeft gaat verzoeker naar de bedrijfsarts. Er is ook een recente rapportage van de bedrijfsarts beschikbaar. Tevens wordt er bij elke afspraak een nieuw rapport opgemaakt.
Ter zitting heeft de schuldhulpverlener een nadere toelichting gegeven op het verzoek. De schuldhulpverlener heeft aangevoerd dat de schuldeisers slechter af zijn wanneer verzoeker zal worden toegelaten tot de WSNP. Verzoeker is al behoorlijke tijd ziek. Van hem kan niet worden verwacht dat hij aan het werk gaat.
Daarnaast ligt er sinds 15 november 2024 loonbeslag, waardoor de kans groot is dat bij toelating van de WSNP een verkorting van de looptijd zal worden toegewezen. Naar het oordeel van de schuldhulpverlener is het aanbod gelet hierop het maximaal haalbare.
De twee voertuigen die in het bezit van verzoeker zijn, heet de schuldhulpverlener willen afkopen met een extra inleg van € 2.210,00, omdat dit de mogelijke waarde zou zijn van de auto. De auto is geschorst en is voor het laatst gekeurd op 23 mei 2010. De auto heeft niet de waarde die [schuldeiser] denkt dat de auto heeft.
Voorts geeft de schuldhulpverlener aan dat zij niet alle privacy gevoelige gegeven mogen en willen delen.
[schuldeiser] heeft nogmaals ter zitting verklaard dat het aanbod niet goed en volledig onderbouwd is en verwijst naar het verweerschrift. Nergens blijkt uit wat de waarde van de auto is.
Net als de diagnose ASS van verzoeker. [schuldeiser] wil dat wel geloven, maar een medisch rapport dan wel een uitgebreidere uitleg was zinvol geweest om toe te voegen.
Op basis van alle stukken moet een overweging worden gemaakt of de schuldeisers akkoord gaan met een voorstel. Als dat niet met stukken wordt onderbouwd, dan is dat niet deugdelijk. Het voorstel van 7,9 % heeft [schuldeiser] niet gehad. Mede op basis van 1,3 procent is het voorstel niet deugdelijk onderbouwd. Bij een schuld van € 20.000,- minder blijft het percentage hetzelfde. Op basis van het voorstel wat er nu is heeft de schuldeiser kunnen afwijzen. Nu blijkt het wel anders te zijn en moet het voorstel worden afgewezen.
De schuldhulpverlener verklaard ter zitting dat zij achter de feiten aanlopen. Door de belastingaangifte is de schuld lager geworden. De communicatie had beter gemoeten.

BEOORDELING

De rechtbank constateert dat de Belastingdienst niet ter zitting is verschenen om op de stellingen van verzoeker te reageren, zodat eventuele stellingen van verzoeker ter terechtzitting ook niet weersproken zijn.
De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.
Zo is onder meer van belang:
of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;
of voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;
of het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen;
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken wat het aanbod aan de schuldeisers precies inhoudt en dat het aanbod niet goed gedocumenteerd is. Ter zitting is gebleken dat het voorstel van 7,98% niet aan de schuldeisers is aangeboden. Voorts was de eenmalige inleg als waardecompensering van de auto niet duidelijk.
Door de verlaagde vordering van de Belastingdienst had het voor de hand gelegen dat het voorstel zou worden verhoogd. Dat is echter niet gebeurd. De toelichting van schuldhulpverlener heeft de onduidelijkheden ter zitting niet bij de rechtbank kunnen wegnemen.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [schuldeiser] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen.
Dat oordeel wordt niet anders door de vaststelling van de rechtbank dat ter zitting wel is gebleken dat het aanbod het maximaal haalbare voor verzoeker is. Verzoeker heeft ter zitting zijn medische situatie voldoende toegelicht.
Op het verzoek om toelating tot de WSNP zal de rechtbank bij afzonderlijk vonnis beslissen. Verzoeker wordt verzocht om de rechtbank binnen vier weken na heden te laten weten of hij zijn verzoek om toelating tot de WSNP wenst te handhaven.

BESLISSING

De rechtbank
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga, en in het openbaar uitgesproken op
17 september 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.