ECLI:NL:RBNNE:2025:4780

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 oktober 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/18/247500 / FT RK 25/944
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een dwangakkoord in het kader van de schuldsaneringsregeling met betrekking tot een verzoekster en Ziggo B.V.

Op 14 oktober 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in Assen uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoekster die een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord heeft ingediend. Het verzoekschrift is op 29 augustus 2025 ingediend, waarna Ziggo B.V., vertegenwoordigd door LAVG, op 17 september 2025 een verweerschrift heeft ingediend. Tijdens de zitting op 29 september 2025 was verzoekster aanwezig, bijgestaan door haar beschermingsbewindvoerder en begeleidster, terwijl Ziggo niet ter zitting verscheen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster een prognoseakkoord heeft aangeboden aan haar schuldeisers, waarbij een bedrag van € 0,00 wordt aangeboden. Dit voorstel is door alle schuldeisers, behalve Ziggo, aanvaard. Ziggo heeft zich verzet tegen het akkoord, stellende dat er geen afloscapaciteit is en dat de schulden van verzoekster niet te goeder trouw zijn ontstaan.

De rechtbank heeft in haar overwegingen de omstandigheden van verzoekster in aanmerking genomen, waaronder haar verleden met verslaving en mishandeling, en de ondersteuning die zij momenteel ontvangt. De rechtbank concludeert dat de aangeboden schuldregeling goed en betrouwbaar is gedocumenteerd en dat de meerderheid van de schuldeisers heeft ingestemd met het akkoord. De rechtbank oordeelt dat Ziggo in redelijkheid niet tot weigering van de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen, en beveelt Ziggo om in te stemmen met de schuldregeling. Het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt als ingetrokken beschouwd. De uitspraak is openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/247500 / FT RK 25/944

vonnis van 14 oktober 2025

in de zaak van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen verzoekster,
tegen
Ziggo B.V.vertegenwoordigd door LAVG, correspondentieadres: [adres] , hierna te noemen Ziggo.

PROCESGANG

Op 29 augustus 2025 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).
Ziggo B.V. vertegenwoordigd door LAVG heeft op 17 september 2025 een verweerschrift ingediend.
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 29 september 2025. Hierbij zijn verschenen verzoekster bijgestaan door mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , werkzaam bij GKB Drenthe (beschermingsbewindvoerder van verzoekster). Tevens is verschenen mevrouw [begeleidster] , begeleidster van verzoekster en werkzaam bij [bedrijf 1] . Hoewel behoorlijk opgeroepen is Ziggo niet ter zitting verschenen

RECHTSOVERWEGINGEN

Verzoekster heeft op 3 september 2024 een prognoseakkoord aangeboden aan haar schuldeisers. Dit voorstel houdt in dat een bedrag van € 0,00 wordt aangeboden aan haar schuldeisers. Dit voorstel betreft een prognose. Pas na afloop van de schuldbemiddeling van 18 maanden kan de definitieve afkoopsom worden vastgesteld.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve Ziggo vertegenwoordigd door LAVG aanvaard.
Op 17 september 2025 heeft LAVG namens Ziggo een verweerschrift ingediend. Kort samengevat en voor zover van belang is aangevoerd dat Ziggo bij een voorstel zonder afloscapaciteit geen enkel belang heeft om in te stemmen. Wanneer verzoekster zou worden toegelaten tot de Wsnp komt zij in een vergelijkbaar traject terecht met betere waarborgen. Zij komt dan onder intensief, streng en onafhankelijk toezicht te staan van een professioneel bewindvoerder en een rechter-commissaris. Verder biedt de Wsnp meer zekerheden. Daarbij vraagt Ziggo zich af of de werkwijze van een voorstel zonder afloscapaciteit wel juridisch sluitend is gelet op het bepaalde in artikel 475 dc Rv, waarbij iedereen minimaal 5 % moet aflossen van zijn of haar inkomen, ook bij een laag inkomen. Tevens stelt Ziggo zich op het standpunt dat vanwege verslaving ontstane schulden worden aangemerkt als schulden, die niet te goeder trouw zijn ontstaan onder verwijzing naar artikel 5.4.4 van de LUBC (Landelijke Uniforme Beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling). Of er nog steeds sprake is van deze verslavingsproblematiek of dat deze in ieder geval één jaar onder controle is, wordt niet gesteld of aangetoond. Voorts blijkt volgens Ziggo uit de vrij te laten bedrag berekening van 3 september 2024 en de bijgevoegde uitkeringsspecificaties dat er wel degelijk sprake is van een maandelijks afloscapaciteit van € 108,67, waarmee in ieder geval over een periode van 18 maanden een bedrag van € 1.923,66 kan worden aangeboden aan de schuldeisers. Verder heeft LAVG in het verleden meerdere vorderingen tegen verzoekster in behandeling gehad van onder andere [bedrijf 2] N.V. en N.V. [bedrijf 3] . Deze vorderingen zijn wegens het ontbreken van verhaalsmogelijkheden aan haar opdrachtgevers geretourneerd. Nu voornoemde schuldeisers niet in het schuldenoverzicht voorkomen vraag Ziggo zich af of de schuldpositie van verzoekster volledig in kaart is gebracht.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij 17 jaar lang in een ongezonde relatie heeft gezeten, waarbij verslaving, mishandelingen en bedreigingen speelden. Drie jaar geleden is zij gedurende één jaar vrijwillig opgenomen geweest in een kliniek. Volgens verzoekster was het eng om daarna weer uit de kliniek te komen. Er is sprake van een intensief vervolgtraject bestaande uit twee keer per week een gesprek met [bedrijf 1] en EMDR therapie. Ondersteuning en begeleiding bij de dagelijkse dingen, waaronder het huishouden is volgens verzoekster noodzakelijk.
Mevrouw [beschermingsbewindvoerder] heeft ter zitting verklaard dat verzoekster inmiddels 3 jaar clean is en dat er vanuit VNN nog wel controle plaatsvindt in de vorm van urinetesten, waaruit blijkt dat zij geen drugs meer gebruikt. Daarnaast is verzoekster gediagnosticeerd met baarmoederhalskanker, waaraan zij een maand geleden is geholpen. Het is moeilijk om aan te geven wanneer verzoekster weer aan het werk zou kunnen. Bij [bedrijf 2] N.V. is aangegeven dat er van verzoekster geen dossier bekend is en de factuur van N.V. [bedrijf 3] is betaald door de GKB. Ten aanzien van de vrij te laten bedrag berekening van
3 september 2024 heeft mevrouw [beschermingsbewindvoerder] aangegeven dat er zowel in 2024 en 2025 op de uitkering bedragen zijn ingehouden. Bij een geslaagde schuldbemiddeling zullen er tijdens een hercontrole opnieuw vtlb-berekeningen worden gemaakt om de correcte afdracht te berekenen, waarbij er wel sprake zal zijn van een afloscapaciteit.
De heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener van de gemeente [gemeente] , heeft na de zitting ter toelichting hierop meegedeeld dat de ingehouden bedragen op de uitkering worden meegenomen in de berekening van de afloscapaciteit.
Mevrouw Kuil heeft ter zitting verklaard dat verzoekster gelet op haar verleden moeite heeft om een normaal leven te leiden en dat verzoekster al 5 jaar lang bezig is met haar schulden.
De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.
Zo is onder meer van belang:
of het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);
of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;
of voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;
of het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen;
of een (dwang)akkoord geen concurrentievervalsing oplevert;
hoe groot het aandeel van de weigerachtige schuldeiser(s) in de totale schuldenlast is.
De rechtbank stelt vast dat het voorstel is ingediend en getoetst door de Gemeente [gemeente] , waarbij met name de positie van de crediteuren is onderzocht in het geval er geen dwangakkoord tot stand zou komen maar een schuldsaneringsregeling zou worden uitgesproken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eis dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij.
De door verzoekster aangeboden schuldregeling is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en betrouwbaar gedocumenteerd, en voldoende onderbouwd. Uit de berekening van het vrij te laten bedrag blijkt de hoogte van de afloscapaciteit. Ook zijn de schuldeisers over de persoonlijke situatie van verzoekster geïnformeerd.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat indien verzoekster zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, haar schuldeisers aan het einde van de schuldsaneringsregeling geen hogere uitkering tegemoet kunnen zien dan in het kader van de aangeboden schuldregeling. Gelet op hetgeen verzoekster ter zitting heeft aangevoerd over haar traumatische verleden en de therapie en de ondersteuning, die zij in verband daarmee momenteel nog krijgt valt niet te verwachten dat daar binnen afzienbare tijd veel verandering in zal plaatsvinden. Verder zit verzoekster in een re-integratietraject van de gemeente [gemeente] , waarin zij actief wordt begeleid en waarin zij zich moet houden aan de bijbehorende verplichtingen.
Op basis van de huidige gegevens kan er aan het einde van de schuldsaneringsregeling na aftrek van de bewindvoerderkosten aan de schuldeisers geen enkele uitkering worden gedaan. Niet valt te verwachten dat daarin veel verandering zal gaan plaatsvinden. Mocht het inkomen van verzoekster en daarmee de afloscapaciteit wel veranderen, dan heeft dit zowel in een schuldsaneringsregeling als in het buitengerechtelijk traject invloed op het uitkeringspercentage aan de schuldeisers. De rechtbank merkt daarbij op dat de kosten van de wettelijke schuldsaneringsregeling hoger zijn dan de bemiddelingskosten die Gemeente [gemeente] in rekening brengt. Verder acht de rechtbank van belang dat de ingehouden bedragen op de uitkering worden meegenomen bij de berekening van de afloscapaciteit na een hercontrole van de vtlb-berekeningen bij een geslaagde schuldregeling, waardoor het maximale wordt aangeboden en er uiteindelijk wel afloscapaciteit ontstaat.
De rechtbank is van oordeel dat de minnelijke regeling met voldoende waarborgen is omgeven, nu in het verzoekschrift is opgenomen dat alle inkomsten boven het vrij te laten bedrag maandelijks voor de schuldeisers worden gereserveerd en na jaarlijkse hercontrole uitbetaald. Voorts is er sprake van beschermingsbewind door de GKB, waardoor er een extra waarborg is dat verzoekster de verplichtingen uit de schuldregeling zal nakomen. De rechtbank acht in dit geval de meerwaarde in de extra waarborgen die de schuldsanering zou bieden te gering om het dwangakkoord af te wijzen.
De rechtbank neemt bij haar beslissing voorts in aanmerking dat uit de door verzoekster overgelegde stukken blijkt dat een ruime meerderheid van de schuldeisers (samen 96,62 % van het gehele schuldenbedrag vertegenwoordigend) heeft verklaard in te willen stemmen met het aangeboden akkoord.
Nu de aangeboden schuldregeling goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende is onderbouwd, terwijl het alternatief van de schuldsaneringsregeling Ziggo als schuldeiser geen gunstiger vooruitzicht biedt dan de aangeboden schuldregeling, is de rechtbank van oordeel dat Ziggo in redelijkheid niet tot weigering van de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen. Ziggo heeft immers geen belang bij de weigering van de aangeboden schuldregeling, terwijl verzoekster en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding daarvan. Het belang van de overige schuldeisers is, evenals het belang van Ziggo, gelegen in de betere vooruitzichten bij de aanvaarding van de aangeboden schuldregeling dan bij verwerping daarvan en het belang van verzoekster is gelegen in het feit dat zij buiten het wettelijk traject haar schulden kan regelen, hetgeen in overeenstemming is met hetgeen de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd.
Op grond van het vorenstaande zal het verzoek dan ook worden toegewezen. Aangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating WSNP als zijnde ingetrokken.

BESLISSING

De rechtbank
- beveelt Ziggo in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op
14 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.