ECLI:NL:RBNNE:2025:4781

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/18/248309 / FT RK 25/1021
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van een moratorium in het kader van een schuldsaneringsregeling met betrekking tot huurbetalingen

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 30 september 2025 een vonnis gewezen in het kader van een verzoek tot toepassing van een moratorium, ingediend door de verzoeker in het kader van de schuldsaneringsregeling. De verzoeker, geboren in 1983, had eerder een moratorium aangevraagd op 23 juli 2025, dat was toegewezen, maar verviel omdat de huur voor september 2025 niet tijdig was voldaan. De rechtbank heeft op 27 augustus 2025 bepaald dat de tenuitvoerlegging van een eerder vonnis tot ontruiming werd opgeschort voor maximaal zes maanden, mits de huur tijdig werd betaald. Na de niet-tijdige betaling van de huur, werd er opnieuw een ontruiming aangezegd. De verzoeker heeft op 18 september 2025 een voorlopige voorziening aangevraagd om een ontruiming op 1 oktober 2025 te voorkomen. Tijdens de zitting op 29 september 2025 is het verzoek behandeld, waarbij de verzoeker werd bijgestaan door een schuldhulpverlener en een beschermingsbewindvoerder. De rechtbank heeft vastgesteld dat de te late huurbetaling niet te wijten was aan de verzoeker, maar aan een te optimistische inschatting van de beschermingsbewindvoerder over de uitbetaling van de WW-uitkering. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek om een moratorium gerechtvaardigd is, zodat de verzoeker in staat wordt gesteld om in een minnelijk traject tot overeenstemming te komen met zijn schuldeisers. De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis opgeschort voor de duur van vier maanden, met de voorwaarde dat de huurbetalingen tijdig en volledig worden voldaan. De rechtbank heeft ook bepaald dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling nog niet wordt beslist, aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: C/18/248309 / FT RK 25/1021

vonnis van 30 september 2025

in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoeker,
tegen
[verhuurder], vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarders Busscher, [adres] , hierna te noemen de verhuurder
gemachtigde: mr. A.L. Eijbergen.

PROCESGANG

Op 23 juli 2025 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).
Op 23 juli 2025 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. De rechtbank heeft op 27 augustus 2025 vonnis gewezen inzake het instellen van een moratorium als bedoel in artikel 287b Faillissementswet en heeft bepaald dat de tenuitvoerlegging van het op 21 januari 2025 op verzoek van de verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming wordt opgeschort voor de duur van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf 23 juli 2025. Daarbij is tevens bepaald dat de voorziening vervalt als de huur niet tijdig en volledig wordt voldaan.
Omdat de huur voor de maand september 2025 niet tijdig is voldaan is het moratorium komen te vervallen en is er opnieuw een ontruiming aangezegd.
Op 18 september 2025 heeft verzoeker een voorlopige voorziening bij voorraad als bedoeld in artikel 287 lid 4 Fw ingediend.
Namens de verhuurder is op 26 september 2025 een verweerschrift ingediend.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 29 september 2025, waarbij zijn verschenen verzoeker bijgestaan door de heer [schuldhulpverlener] van de GKB (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) en de heer [beschermingsbewindvoerder] van de GKB (beschermingsbewindvoerder van verzoeker). Tevens zijn namens de verhuurder verschenen mr. A.L. Eijbergen, werkzaam bij Aardema Boetzelaer Advocaten en mevrouw [naam] .

RECHTSOVERWEGINGEN

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw teneinde een ontruiming van de woning op 1 oktober 2025 te voorkomen.
Gelet op de inhoud van het verzoekschrift zal de rechtbank het onderhavige verzoek aanmerken als een verzoek tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillisementswet voor de duur van ten hoogste vier maanden nu het verzoekschrift is ingediend met als doel dat de minnelijke regeling kan worden voorgezet om verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers.
De gevraagde voorziening is volgens verzoeker noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.
Ter zitting heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat de huur van de maand september 2025 niet tijdig is betaald omdat er bij het UWV nog aanvullende documenten nodig waren om tot uitkering van een WW-uitkering over te gaan, waaronder de arbeidsovereenkomst en de ontslagbrief bij de voormalig werkgever van verzoeker. Deze stukken zijn volgens de beschermingsbewindvoerder opgevraagd en direct na ontvangst verstrekt aan het UWV, waarna het UWV de WW-uitkering heeft toegekend. Daarna is het UWV verzocht de benodigde inkomstenopgaveformulieren direct toe te sturen naar de GKB zodat deze konden worden ingevuld en geretourneerd. Twee weken later is op 18 september 2025 tot uitbetaling van de WW-uitkering overgegaan, waarna de huur van de maand september 2025 direct is betaald. Tijdens de vorige zitting is een te optimistisch beeld gegeven dat de uitkering eind augustus 2025 zou worden uitbetaald. Er is naar de verhuurder toe altijd open en eerlijk gecommuniceerd over de voortgang van de aanvraag van de WW-uitkering. Verder zijn er met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 toeslagen aangevraagd voor verzoeker.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij inziet dat hij hulp nodig heeft van de GKB en dat hij onder beschermingsbewind wil blijven. Er is sprake van een kostganger en daarmee is afgesproken dat hij € 250,00 per maand gaat overmaken naar de beschermingsbewindvoerder. Volgens verzoeker heeft hij volgende week een afspraak met zijn contactpersoon bij de gemeente [gemeente] om te bellen met de huisarts voor een doorverwijzing naar VNN. De contactpersoon van verzoeker heeft al contact gelegd met VNN en afgesproken is dat verzoeker gebeld gaat worden door een medewerker van VNN.
De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat de huur van de maand september 2025 is betaald op 18 september 2025 en dat de huur van de maand oktober 2025 is overgemaakt op 25 september 2025. De inventarisatie van de schulden van verzoeker is afgerond en verzoeker gaat op 29 september 2025 het schuldenoverzicht ondertekenen, waarna er dezelfde week nog een aanbod gedaan kan worden aan de schuldeisers. De schuldhulpverlener heeft verder aangegeven dat de GKB de regie wil overnemen voor wat betreft afspraken met de huisarts en de VNN en dat daarover overleg zal plaatsvinden met de contactpersoon van verzoeker bij de gemeente [gemeente] .
De verhuurder voert verweer en heeft daartoe samengevat aangevoerd dat verzoeker niet voldoet aan de vereisten om toegelaten te worden tot de Wsnp nu verzoeker ten aanzien van de schulden aan de verhuurder drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek niet te goede trouw is geweest en omdat een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd. Een belangenafweging dient volgens de verhuurder in haar voordeel uit te vallen gezien de voorgeschiedenis van verzoeker, waarbij er op een vorig adres ook een huurachterstand is ontstaan, die uiteindelijk heeft geleid tot een ontruiming. Daarna is verzoeker betalingsregelingen niet nagekomen en heeft hij niet voldaan aan de voorwaarden genoemd in een laatste-kans-overeenkomst. Verzoeker heeft door de verhuurder gegeven kansen niet benut. Verder acht de verhuurder van belang dat op verzoek van verzoeker het beschermingsbewind is opgeheven ondanks dat de beschermingsbewindvoerder had aangegeven dat verzoeker niet in staat was om zelf zijn (financiële) belangen te behartigen. Kort na het opheffen van het bewind zijn er weer problemen ontstaan met betaling van de verschuldigde huur. Voorts blijkt niet dat verzoeker hulp heeft gezocht voor zijn cannabisverslaving en is ondanks een advies van de rechtbank de grondslag van het beschermingsbewind niet gewijzigd van verkwisting en of het hebben van problematische schulden naar een lichamelijke of geestelijke grond. Dat er een regeling is getroffen met een inwonende kostganger is niet aangetoond. Er bestaat geen vertrouwen meer in verzoeker gelet op het verleden.
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde verzoeker in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het vonnis van de rechtbank van 27 augustus 2025 dat de huur tijdig moet worden voldaan maar zal daaraan geen consequenties verbinden nu de te late betaling van de huur van de maand september niet te wijten is aan verzoekeer maar aan een te optimistische inschatting van de beschermingsbewindvoerder over de uitbetaling van de WW-uitkering. De rechtbank laat bij haar beslissing meewegen dat direct na uitbetaling van de WW-uitkering de huur van de maand september is voldaan en dat de huur van de maand oktober 2025 tijdig is betaald. Verder acht de rechtbank van belang dat verzoeker ter zitting heeft aangegeven in te zien dat beschermingsbewind noodzakelijk is en dat hij die wil blijven houden. Gelet op het bovenstaande lijkt betaling van de toekomstige huur gewaarborgd. Daarbij verdient het aanbeveling zoals ook is besproken tijdens de vorige zitting om de grondslag van dat bewind te laten wijzigen naar de lichamelijke en geestelijke grond. Verder is het noodzakelijke dat verzoeker inziet dat hij met zijn verslaving aan de slag moet gaan om het minnelijk traject tot een goed einde te brengen. Dat zal in ieder geval noodzakelijke zijn om in aanmerking te komen voor het wettelijk schuldsaneringstraject.
De rechtbank zal voorbij gaan aan het verweer dat verzoeker niet voldoet aan de vereisten om toegelaten te worden tot de Wsnp nu het verzoekschrift is ingediend met als doel om in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers en niet ter overbrugging van de periode tussen het indienen van een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en de beslissing daarop door de rechter.
Gelet op het belang van verzoeker om thans in relatieve rust aan de sanering van de schulden te kunnen gaan werken, acht de rechtbank de gevraagde voorziening dan ook gerechtvaardigd en zal het verzoek worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van het verzoekschrift. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft tijdig en volledig worden voldaan.
Op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt thans nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met de schuldeisers tot stand komt, dient verzoeker dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in te trekken.

BESLISSING

De rechtbank
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 21 januari 2025 op verzoek van verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van ten hoogste vier maanden, te rekenen vanaf 18 september 2025;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaalt dat genoemde voorziening vervalt als niet tijdig en volledig wordt voldaan aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft;
- bepaalt dat degene die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b zesde lid Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.